Het
binnendringen van
het mystieke
denken in de
christenheid
Vanaf de start van
de gemeente hebben
de christenen zich
moeten verdedigen
tegen de mystiek
in de vorm van het
platonisme, het
neoplatonisme en
allerlei vormen
van gnostiek.
(Hieronder worden
enkele van de
belangrijkste
historische
momenten
besproken.)
Het neoplatonisme,
Pseudo-Dionysius
en de negatieve
godskennis
In de bijbel en in
de theologie
worden allerlei
uitspraken over
God gedaan b.v.
God is liefde.
Deze uitspraak
over God heeft de
vorm van een
propositie, een
bewering. De
orthodoxe
gelovigen claimen
dat in deze
uitspraak een
stukje met de
werkelijkheid
overeenkomende
informatie over
hoe God is wordt
weergegeven. Onder
invloed van het
neoplatonisme
verwierpen
sommigen binnen de
christelijke
wereld dit soort
positieve
theologie. Zij
stelden dat we van
God alleen kunnen
zeggen wat Hij
niet is. Volgens
hen is God of het
goddelijke zo
anders dan de
menselijke wereld,
waarmee wij bekend
zijn, dat je Hem
met niets uit deze
werkelijkheid kunt
vergelijken. In
feite is God in
deze visie
onkenbaar.
Via de geschriften
van een onbekend
gebleven
schrijver, die
wordt aangeduid
met de naam
Pseudo-Dionysius,
zijn, rond het
jaar 500, deze
neoplatoonse
gedachten
invloedrijk
geworden binnen de
christelijke
theologie. Over
het goddelijke kan
niets gezegd
worden dat ook
voor het aardse
waar is. Je kunt
b.v. niet zeggen
dat God een
persoon is, je
kunt alleen zeggen
dat Hij geen
persoon is.
Schleiermacher
verlegde de basis
van het geloof van
Gods geschreven
openbaring naar
het religieuze
gevoel. Rond het
jaar 1800 trad in
Duitsland
Schleiermacher op.
Schleiermacher
koppelde leer en
leven los van
elkaar. Het gaat
om de ervaring van
Christus, om de
devotie, een
gevoel van
afhankelijkheid
van God,
enzovoorts. Wat je
precies over
Christus gelooft
is van secundair
belang.
Tot die tijd werd
de christelijke
religie gezien als
een reactie op
door God in de
bijbel
geopenbaarde
waarheden. Dus,
eerst is er de
prediking van de
in de bijbel
gegeven informatie
over Jezus en dat
brengt de mensen
door de werking
van Gods Geest tot
geloof in de
Christus der
Schriften en tot
wedergeboorte (Rom.
10:14,15). Het
geloof ontspringt
aan de prediking
van Gods
geschreven
openbaring, het
geloof rust daar
op, Gods
geschreven
openbaring is de
regel, de bron, de
norm van het ware
geloof.
Schleiermacher
koppelde het
geloof los van de
geschreven
openbaring. Hij
ging uit van
religieuze
ervaring. Hij
verlegde de basis
van het geloof van
de geschreven
openbaring naar de
religieuze
ervaring. Hij nam
volledig de kern
van het mystieke
denken over. Er
is, volgens hem,
eerst de ervaring.
Die is
fundamenteel. Een
gevoel van
afhankelijkheid,
een besef van het
heilige, etc. Dat
is volgens
Schleiermacher de
werkelijke
openbaring waar
het geloof op rust
en uit ontspringt.
Karl Barth en de
neo-orthodoxie
Het uitgangspunt
van Barth is zijn
stelling dat er
een oneindig
kwalitatief
verschil is tussen
God en mens.
Hiermee ontkent
hij, gelijk alle
andere mystici, de
'overeenkomst in
zijn' tussen de
mens en God.
Daarmee ontkent
hij ook de
mogelijkheid van
positieve
theologie, de
mogelijkheid om
ware, met de
werkelijkheid
overeenkomende,
uitspraken over
God te doen. God
is in zijn visie
zo anders dan de
mens en de
menselijke
werkelijkheid, dat
je over Hem, in
beelden ontleend
aan de menselijke
werkelijkheid,
niets met
stelligheid kan
zeggen. God is
voor Barth dan ook
"der ganz Andere",
de geheel andere.
Let op het "ganz".
God is niet zomaar
anders, nee, Hij
is geheel,
volkomen, anders.
God is onkenbaar
in de zin dat we
over hem geen
propositionele
waarheid hebben.
Het enige wat
Barth met
stelligheid over
God schijnt te
beweren is dat God
absoluut
vrijmachtig is.
Voor de rest staat
God buiten onze
menselijke
denkcategorieën.
Menselijke taal
kan de goddelijke
werkelijkheid niet
weergeven. De
bijbel en ook het
dogma zijn slechts
pogingen om het
onuitspreekbare
uit te spreken. Ze
verwijzen naar
de waarheid maar
zijn zelf
niet waar. Volgens
Barth kun je ware
authentieke
godservaringen
hebben, maar
geheel volgens het
mystieke schema
stelt hij dat je
die beleving niet
met woorden kunt
vangen. Barth
gelooft dus in
openbaring, maar
openbaring is bij
hem de beleving
van de ontmoeting
met het
goddelijke.
Waarheid is
dynamisch en nooit
statisch en kan
dus nooit in de
tekst van de
bijbel vastgelegd
worden, laat staan
dat je met dogma's
ware dingen over
de goddelijke
werkelijkheid zou
kunnen zeggen.
Barth's grote
vijand is de
orthodoxie. Hij
verwijt de
orthodoxie onder
meer dat ze onder
invloed van
buitenbijbelse
filosofieën een
onbijbelse
inspiratieleer
heeft opgesteld.
Hij vindt de idee
dat de bijbel zelf
openbaring is en
dat de bijbel
allerlei ware, met
de werkelijkheid
overeenkomende,
informatie bevat
verwerpelijk. Hij
noemt dat
openbaringspositivisme.
De bijbel is
volgens hem niet
het woord van God,
maar een gedeelte
van de bijbel kan
dat wel voor ons
worden, als het
God behaagt ons
daar persoonlijk
door aan te
spreken.
De traditionele
evangelicals en
orthodox
reformatorische
gelovigen die
vasthouden aan de
besproken punten
(leer/dogma’s)
worden door de
neo-orthodoxie
beschuldigd van
rationalisme,
scholastiek en
sciëntisme. Ze
worden ervan
beschuldigd dat
hun dogma's een
vermenging, een
hybride, zijn van
bijbelse gedachten
en (Griekse)
filosofische
begrippen en
theorieën. Als
voorbeeld van deze
vermenging wijst
men b.v. op de
stelling dat er
propositional
truth in de bijbel
staat. Men vindt
dat door het
gebruiken van deze
term in de leer
over de bijbel de
tekst van de
bijbel in een
buitenbijbels
filosofisch
keurslijf wordt
geperst. Echter,
zoals eerder is
betoogd, is het
gebruik van
buitenbijbelse
termen niet erg,
als die termen
maar worden
uitgelegd vanuit
de bijbelteksten
waarvan ze een
samenvatting
geven. Als je het
gebruik van de
term propositional
truth als
rationalistisch
van de hand wijst
dan moet je
consequent zijn en
ook b.v. de term
drie-eenheid en de
daarmee verbonden
formulering " één
van wezen en
bestaande in drie
personen" als
rationalistisch
afwijzen. Sommigen
zijn inderdaad
consequent en doen
dat ook. In feite
wordt dan alle
dogmavorming zo
goed als
onmogelijk.
Het verwijt van
het vermengen van
bijbel en Griekse
filosofie vinden
we al bij de
kerkhistoricus
Adolf von Harnack.
Hij verdedigde de
stelling dat het
dogma van de oude
kerk in zijn
conceptie en
opbouw het produkt
is van de Griekse
geest op de
grondslag van het
evangelie. Deze
visie op het
ontstaan van het
dogma is door
anderen
doorgetrokken naar
de tijd van de
reformatie en tot
in de tijd, eind
negentiende eeuw,
dat het dogma van
de onfeilbaarheid
nauwkeuriger is
geformuleerd. Het
argument is onder
meer gretig
aangegrepen door
Karl Barth en via
hem overgenomen
door b.v. G.C.
Berkouwer, waarna
W.J. Ouweneel en
Alister McGrath
deze theorie in
verschillende
gradaties hebben
omarmd. Ze zijn al
vele jaren bezig
om deze theorie in
de bijbelgetrouwe
wereld uit te
dragen. Op dit
moment gebruiken
ze deze theorie
voornamelijk tegen
het inerrantisme
en tegen de
stelling dat de
bijbel
propositional
truth bevat. W.J.
Ouweneel herhaalt
zelfs in één van
zijn boeken de
oude barthiaanse
beschuldiging dat
wie zich erg druk
maakt over de
juiste
inspiratietheorie
daarmee een afgod
van de bijbel
maakt. Barth
verzette zich
tegen elke
inspiratietheorie
die van de bijbel
zelf openbaring
maakt.
Op zich mag de
vraag of er
wellicht
rationalisme in de
orthodoxe
evangelische en
reformatorische
theologie is
geslopen gesteld
worden. Het
antwoord van
Ouweneel en
anderen moet
echter volstrekt
afgewezen worden.
Zij zien
rationalisme waar
dat niet het geval
is. Toch is de
orthodoxe
theologie soms wel
eens te ver
gegaan, verder dan
bijbels
verantwoord is, in
het ontwikkelen
van de leer (1).
In dat geval moet
de theologie
gecorrigeerd
worden door de
bijbel.
Neo-evangelicals
zoals W.J.
Ouweneel, H.P.
Medema en Alister
McGrath halen de
sloten van de deur
Het is schokkend
om te zien hoe
neo-evangelicals
als W.J. Ouweneel
in hun
geschriften, in
navolging van
Barth, bijna alle
leerstellingen die
de mystiek buiten
houden, hebben
losgelaten of
tenminste aan het
uithollen zijn.
Ze hebben daarmee
voor een groot
deel de mystieke
visie overgenomen.
In feite zijn ze
in de
uitgangspunten
niet meer orthodox
maar neo-orthodox.
Dat doen ze
blijkbaar onder
invloed van het
postmodernisme,
het barthianisme
en in het geval
van Ouweneel en
Medema ook onder
invloed van
bepaalde aspekten
van de
wijsbegeerte der
wetsidee. Het is
onbegrijpelijk hoe
ze vallen voor de
argumenten van de
barthianen.
Er valt zoveel
tegen in te
brengen. Wat
schokt is de grote
gretigheid waarmee
dit gebeurt en de
felheid tegenover
hen die niet
meegaan. Het
gevolg is dat ze
de sloten van de
deur hebben
gehaald. Ze hebben
de muur
neergehaald. De
mystieke vloedgolf
zal komen. Hun
verantwoordelijkheid
hiervoor is zeer
groot, al bestaat
de indruk dat ze
niet ten volle
beseffen wat ze
gedaan hebben en
wat ze aan het
doen zijn.
Ter illustratie
volgen hieronder
enkele standpunten
van W.J. Ouweneel.
-
Hij wil er niet
van weten dat in
de bijbel
propositional
truth staat. Dat
verwerpt hij als
rationalisme,
sciëntisme
(2).
-
Hij verwerpt de
analogia entis,
een overeenkomst
in zijn (3).
In plaats
daarvan kiest
hij voor de
overtuiging dat
God over
zichzelf spreekt
in metaforen. Al
probeert hij
door onderscheid
te maken tussen
verschillende
metaforen nog te
voorkomen dat
het schip zinkt.
-
Hij verwerpt ook
rationele
apologetiek, als
het om de vraag
gaat: "Hoe weet
je dat het waar
is? (4)
" Hij
vindt dat de
traditionele
orthodoxe
evangelische
schriftvisie
nodig van
rationalisme
gezuiverd moet
worden (5).
-
Hij stelt het
leven boven de
leer. Dat is het
logische gevolg
van zijn scherpe
scheiding tussen
geloofskennis en
theologische
kennis. Vandaar
dat hij ook
stelt dat het
ware geloof
zelfs de
fundamentele
tegenstelling
tussen Rome en
Reformatie
overstijgt
(6). Het
gaat niet om de
leer, het gaat
om de ervaring
van de levende
Christus. Het
sola gratia en
sola fide zijn
blijkbaar
secundair.
-
De traditionele
evangelische
overtuiging dat
in het dogma, de
waarheid van de
bijbel wordt
nagesproken
verwerpt hij.
Hij noemt dat
zelfs een
rampzalige
opvatting
(7).
-
Dogma's zijn
volgens hem niet
anders dan
gestolde
waarheid (8).
-
Hij beschuldigt
zelfs de
traditionele
evangelicals,
die zich erg
druk maken en
maakten over de
inspiratieleer,
van het
bedrijven van
afgoderij met de
bijbel (9).
Zoals gezegd,
een variatie op
een bekende
beschuldiging
uit barthiaanse
kring.
Als ik kijk naar
de algemene
situatie bij de
van oudsher
orthodox
reformatorische
kerken dan is de
situatie ernstig.
Het lijkt er op
dat men in
meerderheid ook
daar zonder slag
of stoot de oude
neo-orthodoxe
argumenten tegen
leerstellingen
zoals b.v. de
overtuiging dat er
propositional
truth in de bijbel
staat, de
overtuiging dat
met religieuze
taal de goddelijke
werkelijkheid
adequaat wordt
beschreven (analogia
entis), de
overtuiging dat in
de apologetiek ook
een rationeel
element zit,
enzovoorts, heeft
aanvaard.
De oude argumenten
van Barth worden,
opgepoetst en
voorzien van een
postmodern jasje,
alsnog aanvaard.
Het is, zoals
gezegd,
onbegrijpelijk hoe
men al die
theorieën
aanvaardt, terwijl
er veel tegen in
te brengen is. Ook
hier beseft men
waarschijnlijk
niet wat de
consequenties
zijn.
In artikel 5 van
de Nederlands
Geloofsbelijdenis
staat over de
boeken van de
bijbel het
volgende
geschreven: "En
wij geloven zonder
enige twijfeling
al wat daarin
begrepen is."
Geloven houdt ook
"voor waar houden"
in. Volgens de
geloofsbelijdenis
houden wij dus
zonder enige
twijfeling alles
voor waar wat in
de geschriften van
de bijbel is
geschreven. Daar
bedoelde Guido de
Bres ongetwijfeld
mee dat elke
bewering die in de
bijbel staat, waar
is, dat wil
zeggen,
overeenkomt met de
werkelijkheid. Als
je dit loslaat dan
maak je deze
uitspraak van de
geloofsbelijdenis
tot een holle
klank. Dan krijg
je situaties als
de bewering, dat
de hemelvaart van
de Here Jezus zo
transparant was
dat er geen foto
van had gemaakt
kunnen worden. Of
de barthiaanse
hervormde dominee
uit mijn jeugd die
op de kansel
bewogen sprak over
de opstanding van
Christus, als een
teken van hoop, de
dood is het einde
niet, etc, terwijl
hij in een
persoonlijk
gesprek zei dat
het niet van
belang is of de
beenderen van
Jezus nu wel of
niet ergens in een
graf liggen.
Soortgelijke
gevolgen krijg je
als je meegaat in
de stelling dat de
bijbel over God en
het goddelijke
werken slechts in
metaforen zou
spreken.
Wat we op dit
moment zien
gebeuren is het
oprukken van een
dodelijke
verleiding in de
vorm van een mix
van vrijzinnigheid
(schriftkritische
theorieën) en
mystiek
(gnostiek).
De charismatische
beweging
De charismatische
beweging is
gemengd van
karkater. Het is
een mengeling van
bijbelse waarheden
en mystieke
gedachten. Die
vermenging is er
in verschillende
gradaties. In de
charismatische
beweging worden
bijna alle
leerstellingen die
beschermen tegen
mystiek in grote
mate of geheel
losgelaten. In de
meest extreme vorm
domineert het
mystieke denken
volledig.
Het gaat om een
religieuze
ervaring. Die
staat volstrekt
centraal. Wat je
leert doet niet
echt ter zake. Er
wordt niet
getoetst. Je kunt
de Geest niet
opsluiten in de
bijbel, zo stelt
men, en daarmee
onttrekt men zich
aan bijbelse
toetsing. Zo maakt
men ruimte voor
extrabijbelse
inzichten,
ervaringen en
gebruiken De
bijbel, zo leert
men, was het woord
voor toen, de
geestesuitingen
zoals profetie,
dromen, beelden,
visioenen, directe
innerlijke
godswoorden,
woorden van
kennis, zijn het
woord van God voor
nu. De bijbel
wordt gepasseerd,
opzij geschoven of
op zijn minst
verwaarloosd. En
als de bijbel al
ter sprake komt
dan nog vaak op
een niet-rationele
manier, men kijkt
niet naar de
context, men doet
niet aan
zorgvuldige
schriftuitleg. De
gelovige moet
innerlijk
'aangesloten'
worden, dan komt
er een stroom van
beelden, directe
woorden van God,
etc, op gang.
Doordat de
overgrote
meerderheid van de
evangelische
beweging de eigen,
hiervoor
besproken,
uitgangspunten
(leer/dogma’s)
niet meer kent of
uit heeft gehold
kon het zover
komen dat een
valse beweging als
de Toronto
Blessing in grote
delen van de
evangelische,
reformatorische
wereld is
geaccepteerd
Achterover vallen
in de Geest,
dwangmatige
bewegingen, het
maken van
dierengeluiden,
hysterisch
volkomen
irrationeel
langdurig
geschater, het
wordt allemaal als
geestelijk gezien.
Degenen die er
binnen
bijbelgetrouwe
kringen niet
direct zelf in
meegaan stellen
zich over het
algemeen wel
"positiefkritisch"
op. Dat betekent
meestal dat er
enkele
halfslachtige
opmerkingen
gemaakt worden,
dat er een paar
voorzichtige
kritische vragen
worden gesteld,
daarmee een
grondige analyse,
bijbelse toetsing
en verwerping
achterwege latend.
(10)
Auteur:
A.P.Geelhoed
Bewerking: W.
Boonstra
1
Velen maken op
dit punt een
onderscheid tussen
de jonge Barth en
de oude Barth. Ik
denk dat het
verschil niet
principieel is.
Hij heeft in feite
altijd
vastgehouden aan
dit absolute
onderscheid. Zijn
latere
nuanceringen zijn
slechts
cosmetisch.
2
Voor een nadere
bespreking van dit
thema verwijs ik
naar mijn studie
"De invloed van
postmodernisme,
barthianisme en de
wijsbegeerte der
wetsidee op de
theologische
standpunten van W.J.
Ouweneel", met
name hoofdstuk 9.
De studie staat op
de website van
A.P.Geelgoed (http://www.solcon.nl/apgeelhoed)
3
Het gezag van de
bijbel, Knevel
(red), 1987,
Kampen, pp. 77,78
4
Christian Doctrine
I, Ouweneel, 1995,
Amsterdam, pp.
102,103
5
Het gezag van de
bijbel, Knevel
(red), 1987,
Kampen, p. 87
6 De
boodschap en de
kloof, Knevel
(red), 1997, pp.
74,65 en Het gezag
van de bijbel,
Knevel (red),
1987, Kampen, p.
87
7 Nachtboek
van de Ziel, W.J.
Ouweneel, 1998,
Amsterdam, p. 182
8 De
boodschap en de
Kloof, Knevel
(red), 1997, p. 57
9
Uitspraak van W.J.
Ouweneel in het
artikel "Hoe
orthodox zijn de
EO-leden nog (III):
Het verhaal moet
verteld blijven
worden", uit de
Visie van week van
7-13 december
1997.
10
Noot Willem
Boonstra:
Zie tevens de
boeken “In Drie
Golven” van Drs.
M.Amesz en
“Christendom in
verleiding” van
Dave Hunt & T.A.McMahon.