|
De jongste zoon keert zijn vader de rug toe. Dat is wat de
zondaar heeft gedaan. Ver van zijn vader leeft hij een zondig, losbandig leven.
Zolang hij geld heeft, heeft hij vrienden. Als het op is, zijn ze weg. Niemand
die nog iets om hem geeft. Tenslotte hebben zelfs de varkens het beter dan hij.
In zo’n situatie komt een mens terecht als hij zich van God afkeert.
Misschien heb jij niet op die manier geleefd en ben je ook
niet jaloers geworden op wat varkens te eten krijgen. Toch moet je beseffen dat
jij, toen je nog niet bekeerd was, in precies dezelfde situatie was. Ga maar na:
hoe kwam die jongen tot inkeer? De omkeer begint met ‘toen kwam hij tot
zichzelf’ (Luk. 15:17). Dat is zijn bekering. Hij wordt stilgezet op zijn
verkeerde weg, denkt na, herinnert zich hoe goed hij het thuis had, ziet in dat
hij gezondigd heeft, erkent dat en staat op en gaat naar zijn vader.
Dat is wat bij ieder mens moet gebeuren en wat ook bij jou
is gebeurd. Tot aan het moment van je bekering draaide alles in jouw leven om
jezelf. Je deed waar je zelf zin in had. Je leefde met je rug naar God toe. Maar
op een bepaald moment ben je tot jezelf gekomen, heb je over jezelf en je leven
nagedacht en zag je in, dat een dergelijk leven leeg en doelloos is. Je bent tot
God gegaan en hebt dat voor Hem beleden. Dat is het werk van de Geest van God. |