|
De vraag om gedoopt te worden, komt voort uit een goed
geweten (1 Petr. 3:21). Je ziet dat bijvoorbeeld bij de man uit Ethiopië in
Handelingen 8:36. Hij had het evangelie gehoord en aangenomen en vroeg
vervolgens om gedoopt te worden. Een goed geweten verlangt ernaar gedoopt te
worden, om daarmee een bewijs van trouw tegenover de Here af te leggen. Wie zich
laat dopen, laat daardoor in beeld zien dat hij voorgoed van het oude leven
afscheid heeft genomen, zoals ook Christus door de dood ‘is afgesneden uit
het land der levenden’ (Jes. 53:8). Je weet immers dat Hij vanwege het
oordeel over de zonde in de dood gegaan is.
Noach werd gered omdat hij het getuigenis van God had
geloofd. Maar hij kon de nieuwe aarde alleen betreden, nadat hij door de
zondvloed was heengegaan. De christen is ook door het geloof gered. En ook hij
kan in deze wereld die onder het oordeel ligt, alleen in verbinding met Christus
zijn als hij door de dood heen gaat. Daarvan is de doop het beeld. Meerdere
keren blijkt dat je bij de doop moet denken aan de dood. Vandaar dat het niet
vreemd is het water van de doop ook wel water van de dood te noemen. |