|
Hem ‘Koning’ noemen. Consequent wordt in de brieven over de
Here Jezus als ‘Here’ gesproken. Dat is de relatie die Hij heeft als de
Gezaghebber tegenover hen die op zijn gebied, het koninkrijk der hemelen,
gekomen zijn. Het onderscheid is niet onbelangrijk. Als ‘Koning’ staat Hij in
verbinding met zijn aardse volk Israël. Zo kom je Hem telkens tegen in het Oude
Testament. Het is de titel die verband houdt met zijn regering straks in het
openbaar. In die titel zelf ligt een zekere afstand tussen Hem en zijn
onderdanen.
De gelovigen van het Nieuwe Testament, dus ook wij, zullen
Hem bij voorkeur aanspreken als ‘Here’ Jezus. Hij is de ‘Here’ van iedere
individuele gelovige. Hem als Here te erkennen zit hem natuurlijk niet in de
uitdrukking op zich. Als je over Hem of tot Hem spreekt als ‘Here’ Jezus,
betekent dat nog niet automatisch dat jouw leven daarvan ook een getuigenis is.
En dat is nu juist wel de bedoeling. Het is zelfs onlosmakelijk verbonden aan
het geloven met het hart: ‘Dit is het woord van het geloof dat wij prediken:
dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat
God Hem uit de doden heeft opgewekt, u behouden zult worden. Want met het hart
gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis’ (Rom.
10:9, 10).
De belijdenis van je mond heeft te maken met de hele
praktijk van je leven, wat de mensen van je horen en zien. En dat begint met de
doop. In je doop getuig je ervan dat het met je oude leven is gedaan en dat je
voortaan alleen de Here Jezus wilt gehoorzamen. |