|
Ik kan dit boekje over
‘bekering en doop’ niet afsluiten zonder in te gaan op een uitdrukking die je
mogelijk wel eens bent tegengekomen of die je zelfs heel vertrouwd in de oren
klinkt. Het gaat om de uitdrukking dat ‘de doop in de plaats van de besnijdenis’
is gekomen.
§
Je vraagt je af waar men het vandaan haalt?
Dat staat in de Heidelbergse
Catechismus, bij zondag 27, vraag 74. Nu is dat niet de Bijbel en dus is het
terecht dat we nagaan of wat bij zondag 27, vraag 74 hierover wordt gezegd wel
in overeenstemming met de Bijbel is. Van de serie verwijsteksten die bij zondag
27, vraag 74 worden aangehaald, is alleen in Kolossers 2:11 (1) iets te
ontdekken over een verband tussen ‘besnijdenis’ en ‘doop’. Alleen is het van
belang die tekst goed te lezen en niet met een ‘verbondsbril’ op. Want dan ga je
‘erin lezen’ wat er niet staat! Met ‘verbondsbril’ bedoel ik dat men de Bijbel
leest vanuit de gedachte dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Als
gevolg daarvan zegt men dat God in plaats van met Israël nu met de kerk zijn
verbond heeft gesloten. Daardoor geeft men de besnijdenis een betekenis die
vreemd is aan wat God ermee bedoelde, toen Hij de besnijdenis instelde.
De besnijdenis is namelijk een instelling van God. In
Genesis 17 vind je die instelling. Daar wordt duidelijk dat de besnijdenis het
teken is van het verbond van God met Abraham en zijn nageslacht. Het nageslacht
van Abraham is het volk Israël. Elk Israëlitisch jongetje moest op de achtste
dag na zijn geboorte worden besneden. Zij die geloven dat God in deze tijd een
verbond heeft met de kerk, zeggen dat het teken daarvan niet meer de besnijdenis
is, maar de doop. Dus, zo zegt men, moeten ook kinderen van ouders die naar de
kerk gaan, gedoopt worden. Die kinderen moeten immers opgenomen worden in Gods
verbond met de kerk. Om deze redenering te bewijzen, beroept men zich o.a. op
Kolossers 2:11.
Wat zegt deze tekst?
Nu moeten we maar eens naar die tekst kijken: “In Hem bent u ook besneden
met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam
van het vlees, in de besnijdenis van Christus.”
In de eerste plaats valt op dat er gesproken wordt over
‘een besnijdenis, niet met handen verricht’. Het gaat dus niet om een zelfde
handeling als bij Israël. Dat zou ruimte geven aan de doop, want dat is echt wat
anders dan de besnijdenis. Maar we lezen verder: ‘in het uittrekken van het
lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus’. Hier vinden we de
verklaring van de besnijdenis. Het gaat om ‘het uittrekken van het lichaam van
het vlees’. Hiermee wordt bedoeld dat het zondige vlees geoordeeld is. Dat
gebeurde toen Christus op kruis het oordeel erover onderging (Rom. 8:3). De
gelovige is ontdaan van wat hem vroeger kenmerkte: het vlees. Het is
‘uitgetrokken’, het mag geen rol meer spelen. En hoe is dat gebeurd? ‘In de
besnijdenis van Christus.’ Dat kan natuurlijk nooit slaan op wat op de achtste
dag letterlijk met Hem gebeurde (Luk. 2:21). Waarop moet dat dan slaan? Zoals
gezegd: op het oordeel dat Hij op het kruis ontving. Hier wordt duidelijk dat de
besnijdenis niet alleen een letterlijke, maar ook een geestelijke betekenis
heeft. Je ziet dat ook in Romeinen 2:28, 29.
Als je nu verder leest in Kolossers 2:11 dan zie je dat op
‘de besnijdenis van Christus’ volgt: 'met Hem begraven in de doop'. Eigenlijk
heel logisch. Na het oordeel van de dood over het vlees, volgt de begrafenis in
de doop. Als je goed leest, is de conclusie eenvoudig: de besnijdenis is niet de
begrafenis, de besnijdenis wordt dus niet vervangen door de doop, maar de
begrafenis volgt op de besnijdenis.
Ik denk dat je hieruit ook deze les kunt leren: lees
nauwkeurig wat er staat. Vaak wordt dan al een hoop duidelijk. Verkeerd lezen
van een bepaalde tekst, zet je ook op het verkeerde been bij andere teksten, als
je niet voortdurend aan de Here vraagt om Zelf door de Heilige Geest zijn Woord
te verklaren. Deze houding zal je tevens bewaren om vanuit de hoogte met anderen
te praten die overtuigd zijn van een andere uitleg.
|