1.
Welke plaats gaf de Heer aan
leringen (doctrine) in de Grote
Opdracht, zoals gegeven in
Mattheüs 28:19-20? Wat moest
exact de inhoud zijn van hun
onderwijs? Betrof dit enkel
“essentiële” doctrines? (Ga
dan heen, onderwijs al de volken
… en leer hen onderhouden alles
wat Ik u geboden heb).
2.
Waarom was de vroege kerk één en
gezond (Handelingen 2:42)?
Beschouwden zij doctrine als
iets belangrijks? Moeten wij
eenheid
ten koste van de waarheid
nastreven? (En zij volhardden
in de leer van de apostelen…).
3.
Volhardde de apostel Paulus in
zijn bediening met compleet
onderwijs (Handelingen
20:26-31), of zocht hij
“aanstootgevende” doctrines te
vermijden?
(Daarom betuig ik u op de
huidige dag dat ik rein ben van
het bloed van u allen, want ik
heb niet nagelaten u heel de
raad van God te verkondigen …
bedenk dat ik drie jaar lang,
nacht en dag, niet heb
opgehouden iedereen onder tranen
terecht te wijzen).
4.
Beschouw de verklaring: “Wij
moeten de
ondergeschikte onderwerpen
die ons verdelen opzij zetten”.
Bevat de Bijbel ondergeschikte
onderwerpen? Zijn er
niet-essentiële doctrines te
vinden in Gods Woord? Is er iets
in Gods Woord dat wij niet
voluit zouden moeten
verkondigen? Naar hoeveel dingen
moeten wij ons richten in Gods
Woord (Mattheüs 4:4)?
(Er staat
geschreven: De mens zal van
brood alleen niet leven, maar
van elk woord dat uit de mond
van God komt).
5.
Hebben wij het recht te oordelen
welke delen van de Bijbel
belangrijk zijn, en welke niet?
Hoeveel is
in Gods Woord belangrijk en nuttig voor de gelovige, volgens
2 Timotheüs 3:16-17? (De
hele Schrift is door God
ingegeven en is nuttig om te
onderwijzen, te weerleggen, te
verbeteren en op te voeden in de
rechtvaardigheid, opdat de mens
die God dient volmaakt moge
zijn, tot elk goed werk volkomen
toegerust).
6.
Beschouw opnieuw het cartoon aan
het begin van dit artikel. De
gelovigen van Thessalonika waren
in verwarring over de opname van
de kerk en de komende dag van
Gods toorn - zie
1
Thess. 4:13; 5:1-2; 2 Thess.
2:1-5. (Maar
ik wil niet, broeders, dat u
onwetend bent ten aanzien van
hen die ontslapen zijn, opdat u
niet bedroefd bent zoals ook de
anderen, die geen hoop hebben).
(Maar
wat de tijden en de gelegenheden
betreft, broeders, is het voor u
niet nodig dat men u schrijft.
Want u weet zelf heel goed dat
de dag van de Heere zo komt als
een dief in de nacht). (En
wij vragen u dringend, broeders,
aangaande de komst van onze
Heere Jezus Christus en onze
vereniging met Hem, dat u niet
snel aan het wankelen wordt
gebracht of verschrikt …).
7.
Als dit geen belangrijke zaken
zijn, waarom heeft de Heer dan
Paulus opgedragen om deze
brieven te schrijven? Als deze
slechts “ondergeschikte
onderwerpen” bespreken, waarom
nam Paulus dan de tijd om de
Thessalonicenzen te onderwijzen
in deze doctrines (zie 2 Thess.
2:3-5 en bemerk vooral vers 5)?
(Laat niemand
u op enigerlei manier misleiden.
Want die dag komt niet, tenzij
eerst de afval gekomen is en de
mens van de wetteloosheid, de
zoon van het verderf,
geopenbaard is, de tegenstander
die zich ook verheft boven al
wat God genoemd of als God
vereerd wordt, zodat hij als God
in de tempel van God gaat zitten
en zichzelf als God voordoet.
(vers 5)Herinnert u zich niet
dat ik u deze dingen gezegd heb,
toen ik nog bij u was?).
8.
Wat was Paulus’ verlangen m.b.t.
deze gelovigen? Wilde hij dat
zij onwetend zouden zijn over
deze dingen (zie 1 Thess. 4:13)?
(Maar ik wil niet, broeders,
dat u onwetend bent ten aanzien
van hen die ontslapen zijn,
opdat u niet bedroefd bent zoals
ook de anderen, die geen hoop
hebben).
9.
Was de Heer Jezus tolerant
jegens de Sadduceeën, die
leerstellig met Hem verschilden
(zie Matt. 22:23-33 en vooral
vers 29)? (vers 29) Maar
Jezus antwoordde en zei tegen
hen: U dwaalt, omdat u de
Schriften niet kent en ook niet
de kracht van God … En toen de
menigte dit hoorde, stonden ze
versteld van Zijn leer).
10.
Waarvan stond de menigte
versteld (Matt. 22:33; Matt.
7:28-29)? (En toen de menigte
dit hoorde, stonden ze versteld
van Zijn leer). (Toen Jezus deze
woorden geëindigd had, gebeurde
het dat de menigte versteld
stond van Zijn leer, want Hij
onderwees hen als
gezaghebbende).
11.
Wat is het kenmerk van een waar
discipel (Johannes 8:31-32)?
(Jezus dan zei
tegen de Joden die in Hem
geloofden: Als u in Mijn woord
blijft, bent u werkelijk Mijn
discipelen; en u zult de
waarheid kennen, en de waarheid
zal u vrijmaken).
12.
Wanneer gelovigen met elkaar
harmoniseren over de waarheid,
wat zal dan het effect zijn op
de wereld (Johannes 13:35;
17:23)? (Hierdoor
zult u allen inzien dat u Mijn
discipelen bent: als u liefde
onder elkaar hebt). (opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld erkent dat U Mij gezonden
hebt).
13.
Hoe manifesteren en demonstreren
wij onze liefde voor de Heer
Jezus (Joh. 14:21-24; 15:9-10; 1
Joh. 2:3-6; 5:2-3 enz.)? (Wie
Mijn geboden heeft en ze
bewaart, die is het die Mij
liefheeft; en wie Mij liefheeft,
zal door Mijn Vader bemind
worden … Wie Mij niet liefheeft,
bewaart Mijn woorden niet).
(Als u
Mijn geboden bewaart, zult u in
Mijn liefde blijven; zoals Ik de
geboden van Mijn Vader bewaard
heb en in Zijn liefde blijf).
(En hierdoor weten wij, dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden
bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem,
en Zijn geboden niet bewaart, is
een leugenaar en in hem is de
waarheid niet. Maar ieder die
Zijn woord bewaart, in hem is
werkelijk de liefde van God
volmaakt geworden. Hierdoor
weten wij dat wij in Hem zijn).
(Hieraan weten wij dat wij de
kinderen van God liefhebben,
wanneer wij God liefhebben en
Zijn geboden bewaren. Want dit
is de liefde tot God, dat wij
Zijn geboden bewaren).
Hoe kan een pastor (herder)
tonen dat hij de Meester
waarlijk liefheeft (Joh.
21:15-17; 1 Pet. 5:2; hand.
20:28)? (Toen
… zei Jezus tegen Simon Petrus:
Simon, zoon van Jona, hebt u Mij
meer lief dan dezen? Hij zei
tegen Hem: Ja, Heere, U weet dat
ik van U houd. Hij zei tegen
hem: Weid Mijn lammeren. Hij zei
opnieuw tegen hem, voor de
tweede keer: Simon, zoon van
Jona, hebt u Mij lief? Hij zei
tegen Hem: Ja Heere, U weet dat
ik van U houd. Hij zei tegen
hem: Hoed Mijn schapen. Hij zei
voor de derde keer tegen hem:
Simon, zoon van Jona, houdt u
van Mij? … Jezus zei tegen hem:
Weid Mijn schapen). (Hoed
de kudde van God die bij u is en
houd daar toezicht op). (Sla dan
acht op uzelf en op heel de
kudde waarover de Heilige Geest
u tot opzieners aangesteld
heeft, om de gemeente van God te
weiden, die Hij verkregen heeft
door Zijn eigen bloed).
14.
Is God bezorgd over leerstellige
zuiverheid (Titus 2:7; 1
Timotheüs 1:3)? (Betoon in
het onderwijs zuiverheid …).
(… opdat u
sommigen beveelt geen andere
leer te onderwijzen).
15.
Moeten wij bezorgd zijn wanneer
mensen afwijken van de gezonde
leer (1 Tim. 6:3-5; 2 Tim.
2:16-18)? (Als
iemand een andere leer brengt en
zich niet houdt aan de gezonde
woorden van onze Heere Jezus
Christus en aan de leer die in
overeenstemming is met de
godsvrucht, dan is hij
opgeblazen, weet niets … Wend u
af van dit soort mensen).
(Maar ontwijk het
onheilig, leeg gepraat. Want zij
die zo spreken, zullen steeds
meer in goddeloosheid toenemen,
en hun woord zal uitzaaien als
de kanker. Tot hen behoren
Hymeneüs en Filétus …).
Hoe wordt ons gezegd de
“tegensprekers te weerleggen” (Titus
1:9)? (… iemand die zich
houdt aan het betrouwbare woord,
dat naar de leer is, zodat hij
in staat is aan te sporen door
het gezonde onderwijs en ook de
tegensprekers te weerleggen).
16.
Waarom zouden wij bepaalde
mannen scherp moeten
terechtwijzen (Titus 1:13)?
(Wijs hen daarom
streng terecht, opdat zij gezond
mogen zijn in het geloof).
17.
Wat moet de maatstaf zijn van
onze prediking (Titus 2:1)?
(Maar
u, spreek wat overeenkomt met de
gezonde onderwijzing).
18.
Wat denkt Christus van valse
doctrines in de kerk (Openbaring
2:14-16)? (Maar
Ik heb enkele dingen tegen u,
namelijk dat er onder u zijn die
zich houden aan de leer van
Bileam … Zo zijn er ook onder u
die zich houden aan de leer van
de Nikolaïeten en dat haat ik.
Bekeer u. Zo niet, dan kom ik
spoedig tot u en zal tegen hen
oorlog voeren met het zwaard van
Mijn mond).
19.
Waarom gaf Christus bepaalde
begaafde mannen in de lokale
kerk (Efeziërs 4:11-12)?
(… om de heiligen toe te
rusten tot het werk van de
bediening, tot opbouw van het
lichaam van Christus).
20.
Hoe wordt ware christelijke
eenheid (Ef. 4:1-6) volgens
Efeziërs 4:11-16 bereikt en
genoten?
(… en u te beijveren om de
eenheid van de Geest te bewaren
door de band van de vrede: één
lichaam en één Geest, zoals u
ook geroepen bent in één hoop
van uw roeping, één Heere, één
geloof, één doop, één God en
Vader …).
(En Deze heeft sommigen gegeven
als apostelen, anderen als
profeten, anderen als
evangelisten en anderen als
herders en leraars, om de
heiligen toe te rusten tot het
werk van de bediening, tot
opbouw van het lichaam van
Christus, totdat wij allen komen
tot de eenheid van het geloof en
van de kennis van de Zoon van
God …).Wat is het grote gevaar
bij het verwaarlozen van
doctrine (Efeziërs 4:14)?
(… opdat wij geen kleine
kinderen meer zouden zijn, heen
en weer geslingerd door de
golven en meegesleurd door elke
wind van leer, door de
bedriegerij van de mensen om
sluw tot dwaling te verleiden).
21.
Wat is de relatie tussen
waarheid en liefde (Efeziërs
4:15)? (… maar dat wij, door
ons in liefde aan de waarheid te
houden, in alle opzichten zouden
groeien in Hem Die het Hoofd is,
namelijk Christus).
22.
Beschouw zorgvuldig de eenheid
van gelovigen zoals beschreven
door Christus in Joh. 17:22. Is
er enige leerstellige onenigheid
tussen de Vader en de Zoon? (En
Ik heb hun de heerlijkheid
gegeven die U Mij gegeven hebt,
opdat zij één zijn, zoals Wij
Eén zijn).
23.
Als wij onze medegelovigen echt
liefhebben, zullen wij hen dan
waarschuwen tegen valse leer en
valse leraren (Hand. 20:29-31;
Fil. 3:2; Kol. 1:28)?
(Want dit weet ik, dat na
mijn vertrek wrede wolven bij u
zullen binnenkomen, die de kudde
niet sparen; en dat uit uw eigen
midden mannen zullen opstaan die
verkeerde dingen spreken, om de
discipelen weg te trekken achter
zich aan. Daarom: waak, en
bedenk dat ik drie jaar lang,
nacht en dag, niet heb
opgehouden iedereen onder tranen
terecht te wijzen).
(Let op de honden, let op de
slechte arbeiders, let op de
versnijdenis). (Hem verkondigen
wij, terwijl we ieder mens
terechtwijzen, en ieder mens
onderwijzen in alle wijsheid,
opdat wij ieder mens volmaakt
zouden stellen in Christus
Jezus). (En zie het
voorbeeld van Christus in Matt.
7:15-20; 16:6-12; 24:4-5; Luk.
12:1,15).
24.
Als
wij iemand echt liefhebben,
zullen wij dan goede discipline
beoefenen (Heb. 12:6; Rev. 3:19;
2 Thess. 3:5-6,14-15)? (Want
de Heere tuchtigt die Hij
liefheeft en Hij geselt ieder
kind dat Hij aanneemt). (Ieder
die Ik liefheb, wijs Ik terecht
en bestraf Ik. Wees dan ijverig
en bekeer u).
(En de Heere moge uw
harten richten op de liefde van
God en op de volharding van
Christus. En wij bevelen u,
broeders, in de Naam van onze
Heere Jezus Christus, dat u
afstand neemt van iedere broeder
die ongeregeld wandelt en niet
naar de overlevering die hij van
ons ontvangen heeft … Als
iemand niet gehoorzaam is aan
ons woord door middel van deze
brief, maak hem als zodanig
bekend en laat u niet met hem
in, opdat hij tot inkeer komt.
En beschouw hem niet als een
vijand, maar vermaan hem als een
broeder).
25.
Zullen wij, als wij iemand
werkelijk liefhebben, hem
(overeenkomstig het voorbeeld
van onze Heer Jezus) vertellen
wat hij nodig moet horen, zelfs
wanneer het hem kwetst en hij
daar aanstoot aan neemt (Markus
10:21-22)? (En
Jezus keek hem aan en beminde
hem en Hij zei tegen hem: Eén
ding ontbreekt u: ga heen,
verkoop alles wat u hebt en geef
het aan de armen en u zult een
schat hebben in de hemel; en kom
dan hierheen, neem het kruis op
en volg Mij. Maar hij werd
treurig over dat woord en ging
bedroefd weg).
26.
Kunnen liefde en haat tegelijk
voorkomen (Hebreeën 1:9)?
(U hebt gerechtigheid
liefgehad en wetteloosheid
gehaat).
27.
Toonde de apostel Paulus liefde
toen hij de Galaten berispte (Galaten
1:8-9)? (Maar zelfs als wij,
of een engel uit de hemel, u een
evangelie zouden verkondigen,
anders dan wat wij u verkondigd
hebben, die zij vervloekt. Zoals
wij eerder gezegd hebben, zo zeg
ik ook nu weer: Als iemand u een
evangelie verkondigt anders dan
wat u ontvangen hebt, die zij
vervloekt).
28.
Waarin verheugt de liefde zich
(1 Kor. 13:6)?
(… zij
verblijdt zich niet over de
ongerechtigheid, zij verheugt
zich echter over de waarheid).
29.
Als wij van mensen houden, is
het dan mogelijk hen te berispen
en te vermanen (2 Tim. 4:2)?
(Predik het
Woord. Volhard daarin, gelegen
of ongelegen. Weerleg, bestraf,
vermaan, en dat met alle geduld
en onderwijs).
30.
Waarom keren mensen zich tot
valse leraars
(2 Tim. 4:3)? (Want
er zal een tijd komen, dat zij
het gezonde onderwijs niet
zullen verdragen, maar zij
zoeken wat hun gehoor streelt en
zullen voor zichzelf leraars
bijeenrapen naar hun eigen
begeerten).
31.
Wanneer mensen de waarheid
afwijzen, wat rest er dan nog
(2 Tim. 4:4)?
(Ze zullen hun
oren van de waarheid afwenden en
zich keren tot fabels).
32.
Minimaliseert de Apostel der
Liefde het belang van waarheid
en doctrine (2 John 1-9)?
(… ter wille van de waarheid,
die in ons blijft en met ons zal
zijn tot in eeuwigheid. … in
waarheid en liefde. Ik heb mij
er zeer over verblijd, dat ik er
onder uw kinderen gevonden heb,
die in de waarheid wandelen, in
overeenstemming met het gebod
dat wij van de Vader ontvangen
hebben. … En dit is de liefde,
dat wij wandelen naar Zijn
geboden. Dit is het gebod, zoals
u vanaf het begin gehoord hebt
dat u daarin zou wandelen …
Ieder die overtreedt en niet
blijft in de leer van Christus,
die heeft God niet …).
33.
Hoe had Johannes Gaius lief (3
Johannes 1)?
(De ouderling aan de geliefde
Gajus, die ik in waarheid
liefheb. 2 Geliefde, ik wens dat
het u in alles goed gaat en dat
u gezond bent, zoals het uw ziel
goed gaat. 3 Want ik was zeer
verblijd, toen er broeders
kwamen die van uw waarheid
getuigden, hoe u in de waarheid
wandelt. 4 Ik heb geen grotere
blijdschap dan hierover, dat ik
hoor dat mijn kinderen in de
waarheid wandelen. 5 Geliefde, u
handelt trouw in alles wat u
doet voor de broeders en voor de
vreemdelingen, 6 die getuigd
hebben van uw liefde, in
aanwezigheid van de gemeente. U
zult er goed aan doen wanneer u
hen verder op weg helpt op een
voor God waardige manier. 7 Want
zij zijn voor Zijn Naam
uitgegaan zonder iets aan te
nemen van de heidenen. 8 Wij
behoren dan zulke mensen te
ontvangen, opdat wij medewerkers
mogen worden in de verbreiding
van de waarheid. 9 Ik heb aan de
gemeente geschreven; maar
Diotrefes, die steeds onder hen
de eerste wil zijn, erkent ons
niet. 10 Daarom zal ik, als ik
kom, zijn werken die hij doet,
in herinnering brengen. Hij
belastert ons met boosaardige
praatjes; en hiermee nog niet
tevreden, erkent hijzelf de
broeders niet en verhindert hen
die het wel willen doen en stoot
hen uit de gemeente. 11
Geliefde, volg niet het kwade
na, maar het goede. Wie goed
doet, is uit God; maar wie kwaad
doet, heeft God niet gezien. 12
Van Demetrius is een goed
getuigenis gegeven door allen en
door de waarheid zelf; en ook
wij geven een goed getuigenis
van hem, en u weet dat ons
getuigenis waar is. 13 Veel had
ik te schrijven, maar ik wil u
niet schrijven met inkt en pen.
14 Ik hoop u echter spoedig te
zien, en dan zullen wij van mond
tot mond spreken. 15 Vrede zij
u. De vrienden groeten u. Groet
de vrienden ieder bij naam).
34.
Wat was Johannes’ grootste
vreugde (3 Johannes 3, 4)?
(Want ik was zeer verblijd, toen
er broeders kwamen die van uw
waarheid getuigden, hoe u in de
waarheid wandelt. Ik heb geen
grotere blijdschap dan hierover,
dat ik hoor dat mijn kinderen in
de waarheid wandelen).
35.
Waarvoor zouden wij ernstig
moeten strijden (Judas 3)?
(… te strijden voor het geloof
dat eenmaal aan de heiligen
overgeleverd is).
36.
Hoe moeten wij liefhebben (1
Johannes 3:18)? (Lieve
kinderen, laten we niet
liefhebben met het woord of met
de tong, maar met de daad en in
waarheid).
37.
Lees Openbaring 22:18-19 en
vergelijk Deuteronomium 4:2;
12:32 en Spreuken 30:6.
(Want ik betuig aan ieder die
de woorden van de profetie van
dit boek hoort: Als iemand iets
aan deze dingen toevoegt, zal
God hem de plagen toevoegen die
in dit boek geschreven zijn. En
als iemand afdoet van de woorden
van het boek van deze profetie,
zal God zijn deel afdoen van het
Boek des levens, en van de
heilige stad, van de dingen die
in dit boek geschreven zijn). (U
mag aan het woord dat ik u
gebied, niets toevoegen en er
ook niets van afdoen; opdat u de
geboden van de HEERE, uw God,
die ik u gebied, houden zult).
idem 12:32. (Doe niet tot Zijn
woorden, opdat Hij u niet
bestraffe, en gij leugenachtig
bevonden wordt).