|
De Bijbel leert ons, dat God Zichzelf op verschillende manieren aan de mens bekend heeft gemaakt. Dit noemen wij: “Hij heeft zichzelf aan de mens geopenbaard”. Dit openbaren deed Hij op verschillende manieren. Hierdoor weten we niet alleen dat God bestaat, maar kunnen wij ook weten Wie Hij is en op welke wijze de mens tot Hem in relatie staat. Het was Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, die ons de onzienlijke God heeft doen kennen.
“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard”. Johannes 1:18
Door deze openbaringen weten wij, dat er sprake is van een relatie tussen God en de mens. Om iets van deze relatie tussen God en de mens te kunnen begrijpen gaan wij op zoek in de Bijbel. Het is voor de mens van bijzonder belang kennis te nemen van deze relatie, opdat hij zichzelf leert kennen. Wij beginnen bij de schepping van de mens, in Genesis, omdat God daar mogelijk iets over deze relatie openbaart.
“En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!” Genesis 1:26-28
Wij hebben hier te maken met het tweede gedeelte van het werk van God op de zesde dag, de schepping van de mens.Eerder die dag schiep God alle levende wezens naar hun aard, vee, kruipend gedierte, wild gedierte en alles wat op de aardbodem kruipt. God had gezegd:
“En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was “. Genesis 1:24-25
Wat valt ons op in de schepping van de mens ?
1e: God schiep de mens het laatst van alle schepselen die Hij geschapen heeft. Bij de mens kan zo dus nooit de gedachte of het vermoeden ontstaan, dat hij op enigerlei wijze God behulpzaam is geweest bij de schepping van de wereld. Hierbij denk ik dan ook aan de vraag van God aan Job:”Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? “ (Job 38: 4). Dit wijst de mens heel duidelijk zijn plaats en maakt de gelovige nederig (verootmoedigd) ten opzichte van God .
2e: God schiep één man en één vrouw en Hij zei: Weest vruchtbaar en vermenigvuldig jullie en vervul de aarde.
Bij de schepping van alle andere levende wezens naar hun aard bestaat de indruk, dat God hier meerdere schiep omdat hier sprake is van een meervoudsvorm:
Dit is op zich heel bijzonder. Bij de mens schiep God één geslacht waaruit het gehele menselijk geslacht zou voortkomen. God gaf hun tevens een taak: onderwerp de aarde, hebt heerschappij: over de vissen der zee ; over het gevogelte des hemels; over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
Doordat God de mens als laatste schiep bewees God de mens een bijzondere eer en een gunst:
a. Een eer, omdat God bij de schepping een volgorde hanteert. Bij de volgorde die wij zien in de schepping, ging God voort van het mindere naar het meerdere. Van hetgeen minder volmaakt was, naar hetgeen meer volmaakt was.
b. Een gunst, omdat God de mens pas schiep toen de voor hem bestemde plaats (woning) gereed was, voordat alles volkomen in orde was gebracht. De mens had, nadat hij geschapen was, de gehele zichtbare schepping voor zich, om haar te aanschouwen en van de geriefelijkheid te genieten.
“ Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.” . Genesis 2-8
N.B. Denk met betrekking tot het laatste punt ook aan de belofte die onze Heer en Heiland Jezus Christus gaf voordat Hij ten Hemel voer: “Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben”. Johannes 14:1-3
3e: De schepping van de mens was een uitnemende en onmiddellijke daad van God. Ook deze is geheel anders dan die van de andere schepselen. Hierachter moet wel een hele bijzondere Goddelijke wijsheid en macht verborgen zitten. Het verhaal van de schepping van de mens wordt met enige plechtigheid ingeleid en is daardoor al merkbaar verschillend van het overige. Tot dan toe werd er gezegd: Er zij licht; Er zij een uitspansel en dat de aarde of de wateren dit of dat voortbrengen. Nu wordt het woord van bevel een woord van raadpleging: “En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt”. Genesis 1:26
Het lijkt wel of God hier zegt: Dit is een werk, dat wij in onze eigen handen moeten nemen. Voordien sprak God als gezaghebbende nu spreekt Hij als lief en genegenheid hebbende. Het schijnt, dat dit een werk was waarnaar Hij verlangde. Het lijkt alsof de mens een schepsel moest worden, verschillend van alles wat Hij tot dan toe gemaakt had. “En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende zie”l. Genesis 2:7-8
In de mens moesten geest en vlees (de hemel en de aarde) te samen komen en aan beide werelden moest hij verwant zijn. Daarom neemt God het niet slechts zelf op zich om de mens te maken maar het behaagt Hem, zich zó uit te drukken: “Laat ons mensen maken”. Alsof Hij een raad te samen riep om over het maken van de mens te beraadslagen. De drie Personen van de Godheid , Vader, Zoon en Heilige Geest, beraadslagen en werken er aan, omdat de mens toegewijd zou worden aan de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest . Deze toewijding wordt ook door Lucas op een geweldige wijze tot uitdrukking gebracht in Handelingen 17: 28: “Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij”.
4e: De mens werd gemaakt naar Gods beeld en naar Zijn gelijkenis. Twee woorden die betrekking hebben op dezelfde zaak en elkaar versterken. Beeld en gelijkenis duiden op de naaste overeenkomst met het voorbeeld. De mens was niet gemaakt naar de gelijkenis van enig schepsel, dat vóór hem geschapen was, maar naar de gelijkenis van zijn Schepper. Er staat niet gelijk aan de Schepper en daarom blijft er tussen God en de mens een oneindige afstand. Het is slechts iets van Gods eer dat de mens is meegedeeld, die Gods beeld is. Zoiets als de schaduw in de spiegel, of de beeltenis van een koning op een muntstuk.
Wat is dan Gods beeld in de mens ?
Gods beeld in de mens bestaat in de volgende drie zaken:
1e In zijn natuur en gesteldheid. Niet die van zijn lichaam maar van zijn ziel . Het gaat hier om de ziel van de mens die het beeld Gods draagt. Een met rede begaafde, onsterfelijke, werkzame, invloed uitoefenende geest. De ziel van de mens is, gelet op de drie edele vermogens: verstand, wil en werkzame kracht, misschien de mooiste en helderste spiegel , om er God in te zien. Denk in dit verband aan Psalmen 8:4: “ Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?”
God verlangde naar de schepping van de mens met zijn drie edele vermogens: zijn verstand, zijn hart (wil) en werkzame kracht. Een schepsel die alle mogelijkheden bezat om met Zijn Schepper samen te werken. Die God zou liefhebben uit geheel zijn hart, uit geheel zijn ziel, uit geheel zijn verstand en uit geheel zijn kracht.
Wanneer wij vervolgens letten op de aan de mens opgedragen taak, was het Gods verlangen, dat de mens:
“Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN” Klaagliederen 3:22-26 . Is dit geen bewijs van Gods liefde en van Zijn verlangen naar een innige relatie met de mens ?
2e In Zijn plaats en in Zijn gezag. God schiep de mens naar Zijn beeld en Hij zegende hen.
God zei tegen de mens:
-
Wees vruchtbaar en wordt talrijk;
-
vervult de aarde en onderwerpt haar;
-
heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.
De mens kreeg van God gezag om in Zijn plaats te heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. De mens kreeg heerschappij over de mindere schepselen en de mens werd als het ware Gods vertegenwoordiger. God gaf de mens deze heerschappij terwijl de mens niet in de behoeften van hen voorzag. God bedoelde hiermee de mens te eren, opdat hij zich hierdoor zoveel sterker gedrongen zou voelen om zijn Maker te eren en op Hem te vertrouwen.
3e In zijn reinheid en rechtheid. Godsbeeld in de mens bestaat in kennis, rechtvaardigheid en ware heiligheid. In al zijn natuurlijke vermogens heerste een gewone eenswillendheid met de wil van God. Met zijn verstand zag hij de dingen Gods helder en juist en er was geen dwaling of vergissing in zijn kennen. Zijn wil kwam altijd overeen met de wil van God, zonder aarzeling of tegenstand. Zijn genegenheden waren geregeld, hij had geen ongeregelde lusten of hartstochten. Zijn gedachten konden zich gemakkelijk bij de beste onderwerpen bepalen en er was geen ijdelheid of ontembaarheid in. Al de mindere vermogens waren onderworpen, zonder opstand of muiterij. Zó heilig, zó gelukkig waren onze eerste ouders door dat het beeld Gods in hen was.
En God zag, alles wat Hij gemaakt had en het was zeer goed. “ En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag ”.Genesis 1:31
Wat is er voorgevallen, dat wij dit vandaag de dag niet herkennen?
Wanneer wij letten op het vorenstaande (het oorspronkelijke plan van God) en de situatie van de mens in de wereld van vandaag, dan kunnen wij ons alleen maar afvragen: Wat is er gebeurd?
Kort gezegd: De mens is gevallen en verbrak de relatie met God. Het beeld van God in de mens werd geschonden!
Dit kon niet zonder gevolgen blijven. In de volgende studies komen wij hier uitgebreid op terug.
In de studie “Wat geloven discipelen van Jezus Christus” ga ik uitvoerig in op deze openbaring. Zonder deze openbaring is het niet mogelijk om God te kennen. Van de mens uit geredeneerd, komen wij nimmer tot God. Al ons pogen hiertoe is ijdel en lijdt slechts tot de afgoden: van de filosofie, via ons verstand; van de mystiek, via ons gevoel; van de zede, via onze wil.
|