De Bijbel is WAAR
 Stichting de Bijbel is waar
 
Redding, wet, genade, schuldbelijdenis en vergeving

Rom. 3:10 Niemand is rechtvaardig, ook niet één.

Rom. 3:21-23 Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

De basis van onze redding is de erkenning dat niemand zichzelf kan rechtvaardigen. Hoe goed we ook ons best doen om ons aan regels en wetten te houden. Slechts door in geloof te accepteren dat Jezus Christus ons om niet gerechtvaardigd heeft, door Zijn genadeoffer op Golgotha, is verlossing mogelijk. Hiermee begint onze christelijke levenswandel.

Rom. 6:1-2 Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme?  Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?

Rom. 6:6-7 Dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;  want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.

In Rom. 6:1,2 zegt Paulus dat wij niet in de zonde moeten blijven leven als wedergeboren christenen. Dan gaan we verkeerd met genade om. Volgens Rom. 6:6 is de oude mens gekruisigd, waardoor aan het lichaam van de zonde zijn kracht ontnomen is en wij niet langer slaven van de zonde zijn. Paulus bedoeld niet dat wij ook gekruisigd moeten worden. Christus is voor ons gestorven zodat we uit dit heilsfeit het recht ontvangen om vrij van de zonde te zijn wanneer we de oude mens voor dood houden. Eerst laat hij in Romeinen 7 zien dat wedergeboren christenen nog steeds zondigt. Daarna legt Paulus in Romeinen 8 uit wat in feite bedoeld wordt met het kruisigen van de oude mens. 

Rom. 7: 7-26  Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.  Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood.  Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven,  en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood.  Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.  Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod.  Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.  Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.  Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.  Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.  Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.  Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik.  Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.  Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;  want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods,  maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.  Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!  Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.

Volgens Rom. 7:7 doet de wet ons zonde kennen. Door het kennen van de zonde hebben we de bewustwording gekregen dat dit tot de dood leidt (vers 8-13). Vers 14 leert ons dat de zonde veroorzaakt wordt door het vlees (=de ziel of onze persoonlijkheid). Paulus, zelf een wedergeboren christen, zegt in vers 14-21 dat hij elke dag weer strijd levert tegen de zonden die hij doet. Hij verblijdt zich over het kennen van de wet (vers 22,23) waardoor hij opmerkzaam gemaakt wordt dat hij elke keer weer zondigt. In vers 24 en 25 getuigt hij dat alleen Jezus Christus ons kan verlossen uit dit zondige lichaam. Met zijn verstand houdt hij zich aan de wet van God maar ziet ondanks dat, dat zijn lichaam nog steeds zondigt. In Romeinen 8 geeft Paulus aan hoe we hiermee moeten omgaan.

Rom. 8:3-4 Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees – God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees,  opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest.

Rom. 8:12-13 Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven.  Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.

Paulus geeft in Rom. 8:3,4 aan dat door de zwakte van het vlees (onze ziel of persoonlijkheid) wij niet in staat zijn de zonde buiten de deur te houden. Alleen Gods Zoon was in staat de zonde te overwinnen. Door in het geloof, geleid door de Heilige Geest, te wandelen kunnen we de overwinning van Christus deelachtig worden. Daarbij moeten we Rom. 8:12 voor ogen houden want volgens dit vers staan wij allemaal schuldig tegenover God en zouden we daardoor moeten sterven. Christus heeft deze schuld op zich genomen. Vers 13 zegt dat wij door de Geest de werkingen van het lichaam moeten doden om het eeuwige leven te ontvangen. Het doden van de werkingen van het lichaam is niet een eenmalige daad. Elke keer als onze oude mens de kop opsteekt geldt dat we de werkingen van het lichaam voor dood moeten houden. Door het geloof ‘dat onze oude mens medegekruisigd is’ (Rom. 6:6) en in de kracht van de Heilige Geest (Rom. 8:13b), met oprechte belijdenis van onze zonden (1Joh.1:9), kunnen we de werkingen van het lichaam bestrijden, elke dag opnieuw, want de overwinning is al behaald.

In Col. 3: 5,6 spreekt Paulus de gemeente er op aan: Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij,  om welke dingen de toorn Gods komt. En wat doen we dan met onze zonden die het gevolg zijn van die oude mens die zich op onze zwakke momenten doet gelden? Net doen of dat het niet gebeurd is? Nee, zegt Johannes tot de gemeente in 1Joh. 1:9 -10 Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.  Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet. Dit zijn harde woorden. Vergeving van zonden vindt slechts plaats wanneer we onze zonden belijden. Buiten dat geen vergeving. Erger wordt het nog wanneer we zeggen dat we niet zondigen. Dan maken wij Christus tot een leugenaar. We moeten niet bij de zonde blijven (Rom. 6:6) maar deze belijden, waardoor reiniging mogelijk is.

Auteur: Gezinus Grissen

Bijbelvertaling NBG 51

  Ga naar BIJBELSTUDIE

 
 
 
Designed: Elegant Web Templates
Copyright © www.debijbeliswaar.nl. All rights reserved.