|
‘Het merkwaardige is dat de meeste wetenschappers ervan uitgaan, dat de evolutie op
andere gebieden is bewezen en dat zich alleen op het terrein van hun eigen
vakgebied/specialiteit nog problemen voordoen’. (1) Dit is de huidige stand van
zaken binnen de evolutionistisch wetenschappelijke wereld. Het blijft
verwonderlijk dat men een theorie blijft ondersteunen en vertrouwen waarbij het
duidelijk is dat er vele hiaten en onmogelijkheden in diezelfde theorie aanwezig
zijn. Logischerwijs zou men waarschijnlijk zeggen: als een theorie uit
verschillende vakdisciplines bestaat, dat al deze onderdelen met elkaar in
overeenstemming zouden moeten zijn. Bij de evolutie onderscheiden we: geologie,
biologie, genetica, natuurkunde, etc. Als een theorie, zoals de evolutietheorie
in de breedste zin van het woord, verschillende deelwetenschappen nodig heeft,
dan is het niet meer dan logisch dat bij het ontdekken van onmogelijkheden in
het ene vakgebied dit niet zonder gevolgen voor andere vakgebieden kan blijven.
Bij de evolutietheorie lijkt dit niet of nauwelijks het geval te zijn.
Binnen de geologie
is de Grand Canyon een geliefd onderzoeksgebied. Je kunt duidelijk de
verschillende aardlagen (strata) onderscheiden. Volgens evolutionisten zijn deze
lagen gedurende lange perioden afgezet. Laag voor laag is het plateau gevormd,
waarin op een later tijdstip de rivier de Colorado zich heeft ingesneden, zo de
Grand Canyon vormend. In de aardlagen vinden we fossielen, aan de hand van de
fossielen stellen evolutionisten de ontwikkeling van leven vast. (2) Als we
kijken welke fossielen we vinden vanaf de onderzijde van de Grand Canyon, dan
treffen we de volgende fossielen aan:
§
Stromatolieten
§
Ammonieten/Eencelligen
§
Vissen
§
Zeelelies
§
Trilobieten
§
Sponsen
§
Koralen
§
Brachiopoden (schelpachtigen)
Stromatolieten
zijn volgens evolutionisten de eerste levensvorm. Het zijn bacteriën die door
evolutionisten als simpele levensvorm worden gezien. Echter zijn de meest
simpele bacteriën ongelooflijk complex. Toch zouden deze stromatolieten spontaan
zijn ontstaan. Vooraanstaande wetenschappers,
zoals Sir Fred Hoyle, zijn uiteindelijk tot de
conclusie gekomen dat het spontaan ontstaan van leven niet mogelijk is. Dat het
leven van een hogere intelligentie afkomstig is dat ‘is zo voor de hand liggend
dat het onbegrijpelijk is dat deze niet als vanzelfsprekend geaccepteerd is.’(3)
Toch zijn
stromatolieten, zonder enige bewijs voor het spontaan van het eerste leven, door
evolutionisten geaccepteerd als eerste levensvorm. Dit komt mogelijk mede
doordat deze levensvorm in de onderste aardlaag van vele geologische formaties
gevonden is, en daardoor als eerste levensvorm wordt gezien. Geologen gaan er
namelijk van uit dat met de vorming van aardlagen dode levensvormen in die
aardlagen tot fossiel veranderen. Als het eerste leven op aarde bestond uit
simpele levensvormen, zoals bacteriën
(4), en de
aardlagen met stromatolieten worden in de laagste delen van de geologische kolom
gevonden, dan is het binnen het evolutionische denkkader begrijpelijk dat men
in deze levensvormen de eerste ontwikkeling van leven zag. Blijft echter de
grote vraag: ‘hoe zijn de eerste bacteriën ontstaan’? De geologische kolom biedt
antwoord op een logische volgorde voor evolutionisten, maar de ontstaansvraag
blijft echter open. Hier is het eerder genoemde citaat zeker op zijn plaats
(‘Het is merkwaardige is dat de meeste wetenschappers ervan uitgaan, dat de
evolutie op andere gebieden is bewezen en dat zich alleen op het terrein van hun
eigen vakgebied/specialiteit nog problemen voordoen’. (1))
Wellicht is het
uitgangspunt van de geologie geheel verkeerd. Door de geologie en het afzetten
van de aardlagen is men tot het idee van de ontwikkeling van het leven gekomen.
Zelfs Darwin schreef al dat de geologische kolom het bewijs met vele
tussenvormen zou moeten leveren, omdat anders zijn hele theorie niet houdbaar
zou blijken. De geologie ging meer dan 100 jaar uit van de gedachte dat het
heden de sleutel is tot het verleden. James Hutton (1726-1797) was de
grondlegger van deze gedachte, welke later is uitgewerkt en tot absolute norm is
verheven door Charles Lyell (1797-1875). Volgens deze vooronderstelling is het
wellicht begrijpelijk dat geologen er van uitgaan dat aardlagen, zoals die in de
Grand Canyon, gedurende miljoenen jaren zijn ontstaan. Toch blijven er een
aantal vragen over. Als we kijken naar de fossielen in de Grand Canyon, waarom
zijn dan alle fossielen die we in de Grand Canyon vinden van zeedieren? Waarom
zijn er tussen deze fossielen geen tussenvormen of missing-links gevonden?
Antwoorden die de geologie niet kan geven. Misschien is het uitgangspunt van
‘het heden is de sleutel tot het verleden’ geen juist uitgangspunt.
Tot de jaren 80
van de vorige eeuw was het uitgangspunt van ‘het heden is de sleutel tot het
verleden’ bijna heilig binnen de geologie. Het zijn echter gebeurtenissen zoals
de uitbarsting van de Mount St. Helens in de VS en catastrofale gebeurtenissen
waaronder de tsunami van 24 december 2004 die een ander licht op de zaak werpen.
Deze, en andere gebeurtenissen, laten zien dat geologische processen zeer snel
plaats kunnen vinden als gevolg van een catastrofe. Dit gaat volledig in tegen
het denkbeeld van ‘het heden is de sleutel tot het verleden’. Een
overstroming/catastrofe is wellicht een veel betere verklaring voor de afzetting
van de aardlagen in de Grand Canyon. Hier ligt immers het zware materiaal
(grind) onderop en het lichte materiaal (kalk) boven in de geologische kolom van
de Grand Canyon. Iedereen die een beetje verstand van geologische principes
heeft weet dat door afzettingen van bijvoorbeeld water de zwaardere gesteenten
als eerste worden afgezet en pas na verloop van tijd de lichtere afzettingen
bovenop de zwaardere worden afgezet. En dat is precies wat we zien in de Grand
Canyon. De uitbarsting bij Mount st. Helens heeft bewezen dat dikke lagen
sediment (5) afgezet kunnen worden binnen enkele uren. Deze catastrofegeologie
of tsunamigeologie vormt een heel nieuw denkkader binnen de geologische wereld.
Er zal nog veel onderzoek verricht moeten worden. Op dit moment gaat men uit van
lokale catastrofes die invloed hebben gehad, hoe lang zal het duren tot men
naast de lokale ook de wereldwijde catastrofe van de zondvloed zal onderkennen?
De geologie maakt met deze stap duidelijk een stap in de richting van het
denkbeeld van creationisten.
De ontdekking van
deze catastrofegeologie kan gevolgen hebben voor de manier waarop we de
geologische kolom moeten interpreteren. Dit zal gevolgen hebben voor biologische
wetenschappen. Maar of biologen het principe van natuurljke selectie en het
spontaan ontstaan van leven los zullen laten? Zoals eerder opgemerkt is het
niet logisch dat bij het ontdekken van onmogelijkheden in de ene vakdiscipline
dit geen gevolgen zou hebben voor andere vakgebieden binnen de evolutie.
Auteur: A.J.W.
Boonstra
Noten:
(1)
John Ankerberg en John Weldon, Feiten over schepping en evolutie. Pagina 52.
ISBN 9789066031203. Uitgeverij Middernachtsroep.
(2)
Mochten er mensen zijn die zeggen dat evolutie een puur biologische theorie is,
blijkt hieruit wel dat biologen de geologen nodig hebben om hun ‘tree-of-life’
te onderzoeken.
(3)
Fred Hoyle, Chandara Wickramasinghe, Evolution from Space. (Londen: J.M.
Denton & Sons, 1981), pagina 130.
(4)
Bacteriën zijn alles behalve simpele levensvormen, als één van de onderdelen
niet functioneert, zat het geheel niet functioneren. Hoe zijn deze delen
afzonderlijk door toeval ontstaan?
(5)
Dat zijn afzettingen |