|
Darwin schreef zelf al dat de vondst van tussenvormen in de geologische kolom
zijn theorie zou bewijzen, en zo niet dan zou de theorie geen waarde hebben.
Sindsdien zijn wetenschappers druk doende, en zoekende naar tussenvormen van
evolutie. Deze tussenvormen moeten aantonen dat de ontwikkeling van soorten
doormiddel van geleidelijke processen is verlopen. Als we evolutionisten geloven
zijn er vele tussenvormen. Bestuderen we deze claim werkelijk dan richten de
bewijzen zich voornamelijk op een aantal, dat het bewijs van evolutie moeten
leveren. Zo presenteert de evolutie ons tussenvormen van de aapmens naar de
mens, tussenvormen tussen dinosauriërs en vogels, en tussenvormen die evolutie
van paarden moet aantonen. Allemaal staan deze tussenvormen onder zware druk en
onder hevige kritiek, voorbeelden van paardenevolutie worden zelfs nog
nauwelijks gebruikt vanwege zware kritiek, terwijl evolutionisten in het
verleden de evolutie van het paard als schoolvoorbeeld naar voren schoven als
bewijs voor evolutie. Het aantal iconen van evolutie is eigenlijk maar zeer
beperkt.
Een
ander populair voorbeeld om evolutie ‘ aan te tonen’ is de zogenaamde:
walvisevolutie. “Evolutionisten denken dat walvissen zijn geëvolueerd vanuit
landzoogdieren”. (1). Evolutionisten denken dat landdieren vanuit zee zijn
geëvolueerd. In dit tijdperk bestonden de zeezoogdieren niet. Evolutionisten
gaan er vanuit dat na de evolutie van zoogdieren, de zoogdieren ‘teruggetrokken’
zijn naar zee. Een van die zoogdieren is de walvis. “Er zijn echter vele
veranderingen nodig om een walvis te laten evolueren vanuit een landzoogdier.
Een van deze veranderingen zijn het bekken van een landzoogdier, dat zou moeten
verdwijnen. Dit bekken zou de reproductieve opening vermorzelen door de stuwende
kracht van een bewegende staart. Een kleiner wordende bekken zou dan weer niet
in staat zijn achterpoten te kunnen dragen, achterpoten die nodig zijn om te
lopen. Al dus zou de hypothetische tussenvorm ongeschikt zijn om te leven op
land of in zee, en daardoor extreem kwetsbaar zijn”. (2)
Het
is dus zeer onwaarschijnlijk dat walvissen zijn geëvolueerd vanuit
landzoogdieren. Er zijn evolutionisten die zeehonden als mogelijke levende
tussenvormen tussen landzoogdieren en zoogdieren in zee zien. Deze
wetenschappers zijn echter in de minderheid. “Zeehonden en Indische zeekoeien
kunnen anatomisch gezien geen tussenvorm tussen land- en zeezoogdieren zijn”.
(3)
E.J.
Slijper, verbonden aan de universiteit van Michigan, gelooft in
walvisevolutie…ook zonder bewijs. Zo zegt hij: “Wij bezitten geen enkel fossiel
van tussenvormen tussen de hiervoor genoemde landzoogdieren en walvissen”. (4)
Iedere waarneming van fossielen in de geologische kolom laten altijd een
volledig ontwikkelde walvis zien en geen tussenvorm. “De laagste vorm van
walvisevolutie die de geologische kolom ons laat zien zijn compleet ‘zeedier’
vanaf het moment dat de fossielen verschijnen in de geologische kolom”. (5)
In
Discover magazine van 1995 (6) werd een lijst opgenomen waarin de
walvisevolutie overzichtelijk werd weergegeven:
-
Mesonychid (55 miljoen jaar
geleden)
-
Ambulocetus (50 miljoen
jaar geleden)
-
Rodhocetus (46 miljoen jaar
geleden)
-
Prozeuglodon (40 miljoen
jaar geleden)
Het
zal duidelijk zijn dat indien een van deze tussenvormen geen tussenvorm blijkt
te zijn de gehele walvisevolutie wankelt, zo niet onjuist blijkt te zijn.
Vaak
worden plaatjes van deze dieren in vele publicaties/artikelen even groot
afgebeeld terwijl de grote tussen deze dieren verschild. (7) Door dieren even
groot af te beelden wekt men de suggestie dat deze dieren van elkaar afstammen,
terwijl de werkelijke grote laat zien dat tussenvormen soms wel 5 tot 10 keer
groter waren dan hun ‘nakomelingen’ en/of ‘voorouders’, een ontwikkeling die bij
geleidelijke evolutie niet mogelijk en niet logisch is. Door de dieren even
groot af te beelden wekt men echter wel deze voorgenoemde illusie. Is dit het
beste bewijs tegen de walvisevolutie? Laten wij twee van de genoemde
tussenvormen nader bekijken: Ambulocetus natans & Rodhocetus
Ambulocetus natans
Ambulocetus natans
betekent: lopende walvis die zwemt. Dit is de naam die evolutionisten aan het
dier hebben gegeven. De suggestie dat de walvis een geëvolueerd landzoogdier is
wordt op deze manier direct gewekt. Maar is Ambulocetus een ‘voorouder’ van de
walvis. Carl Werner citeert Dr. Phil Gingerich van de universiteit van Michigan
in zijn boek Evolution: The Grand Experiment: “Ambulocetus heeft
haar ogen op een vreemde manier boven op het hoofd, en ze is ongebruikelijk
groot voor een vroege walvis … wellicht is hoort ze niet op de hoofdtak [van
walvis evolutie].” (8) Ook ander biologen hebben zo hun twijfels,
waaronder bioloog Annalisa Berta: “ Aangezien de bekkenholte niet bewaard is
gebleven, is er geen direct bewijs dat Ambulocetus de connectie vormt tussen een
lopende en zwemmende anatomie”. (9).
Evolutionisten twijfelen zelf of Ambulocetus een tussenvorm is tussen de
landzoogdieren en walvissen.
Rodhocetus
De tweede
tussenvorm waarover evolutionisten hun twijfels hebben is Rodhocetus. “Ik
speculeerde dat het wellicht een platte staart had … Ik twijfel nu of de
Rodhocetus een platte staart had. “ (10) Een platte start is wel heel
belangrijk. Waar Ambulocetus volgens evolutionisten een ‘normale’ staart en
poten had, is de staart van Rodhocetus platter. Zo kan deze staart dienen om
zich voort te bewegen in het water. Zonder een platte staart is Rodhocetus geen
tussenvorm onderweg naar de vorming van een walvis.
Voorlopige conclusie
Ambulocetus en Rodhocetus zijn van groot belang in de evolutie van de walvis.
Ambulocetus moet de verklaring en het bewijs leveren van een kleiner bekken, die
langzaam verdwijnt zoals bij de huidige walvis geen bekken aanwezig is.
Rodhocetus moet het bewijs leveren voor de ontwikkeling van een mechanisme om
voort te kunnen bewegen in het water. Beide dieren worden echter door
evolutionisten afgewezen als tussenvorm. Het overzicht uit Discover magazine
van 1995 mist hierdoor de twee middelste tussenvormen. Het overzicht kan
daardoor dus niet langer als serieus overzicht van walvisevolutie dienen.
Pakicetus
“Pakicetus inachus
is een andere kandidaat als tussenvorm tussen walvissen en landzoogdieren in de
ogen van sommige evolutionisten”. (11) In 1983 schreef Phil Gingerich het
volgende over Pakicetus: “[Pakicetus] is de oudste en primitiefste walvis die er
tot nu toe is ontdekt … het is een belangrijke overgangsvorm die de vleesetende
landzoogdieren uit het Paleoceen verbindt met de latere meer ontwikkelde
walvissen.” (12). Ruim tien jaar later, in 1994, schreef diezelfde Phil
Gingerich: “Qua datering en morfologie is Pakicetus de volmaakte
tussenvorm, een ontbrekende schakel tussen de vroegere landzoogdieren en latere
volwaardige walvissen.” (13). Het mag duidelijk zijn dat P. Gingerich in
Pakicetus de perfect kandidaat tussenvorm in de evolutie van
‘landzoogdier-naar-walvis’ zag. Deze uitspraken werden gedaan op basis van
gevonden fossiel bewijs. Dit bewijs bestond uit een deel van de schedel en een
deel van de onderkaak. De rest was gereconstrueerd.
In
2001 bracht onderzoek aan het licht, nadat men meer fossielen van Pakecitus had
gevonden dat Pakicetus niet meer dan een “landzoogdier, niet meer amfibisch dan
een tapir” (14) was. Meer bewijsmateriaal dat Pakecitus een landzoogdier was
kwam aan het licht door de ontdekking dat het gehoorkanaal overeenkwam met dat
van een landzoogdier en niet met het gehoorkanaal van een walvis. “We weten dat
het gehoorkanaal dat van een landzoogdier was, daarnaast zijn de fossielen
gevonden in rivierafzettingen naast andere fossielen van landzoogdieren”. (15)
Pakicetus kan dus ook niet langer als tussenvorm voor de walvisevolutie dienen.
Conclusie
Alle bewijzen en
aanwijzingen op een rij tonen aan dat er geen enkel bewijs is voor
walvisevolutie. G.A. Mchedlidze is een Russisch expert op het gebied van
walvissen, G.A. Mchedlidze heeft sterke twijfels bij de vermeende tussenvormen:
Ambulocetus en Pakicetus. (16) Alles wijst erop dat walvisevolutie net zo min
voor is gekomen als evolutie van de aapmens naar de mens, of welke ander vorm
van evolutie dan ook. De walvisevolutie is niets meer dan een mythe en zeker
geen wetenschap.
Auteur: A.J.W. Boonstra
Noten:
1.
J.Sarfati,
Ph.D.; Refuting evolotution, pagina 71, uitgever Answers in Genesis
2.
Idem 1
3.
Idem 1
4.
E.J.
Slijper, Dolphins and Whales. Ann Arbor, MI University of Michigan Press, 1962,
pagina 62
5.
Idem 1
6.
C. Zimmer,
‘Back to the sea’, Discover, January 1995, pagina 83
7.
Idem 1,
pagina 72
8.
Carl
Werner, Evolution: The Grand Experiment (Green Forest, AR: New Leaf Press,
2007), pagina 138
9.
A.Berta,
What is a whale?, Science, 263 (5144) pagina 180-181
10.
Idem 8),
pagina 139, 141
11.
Idem 1,
pagina 76
12.
Phil
Gingerich, “Evidence for Evolution from the Vertebrate Fossil Record,” Journal
of Geological Education, vol. 31 (1983), pagina 140–144
13.
Phil
Gingerich, “The Whales of Tethys,” Natural History, April 1994, pagina
86
14.
Gebaseerd
op fosiel bewijs besproken door J.G.M. Thewissen, E.M. Williams, L.J. Roe, and
S.T. Hussain, “Skeletons of terrestrial cetaceans and the relationship of whales
to artiodactyls,” Nature, 413 (20 Sept. 2001), 277-81
15.
Idem 1,
pagina 76
16.
Idem 1,
pagina 76 |