De Bijbel is WAAR
 Stichting de Bijbel is waar
 
Het wonder van de schepping

Kennis door waarneming
Alle wetenschappelijke kennis stoelt op waarnemingen of onderzoekingen, ongeacht of het nu gaat om processen die waargenomen of om voorwerpen die onderzocht worden. Wat daarbij waargenomen wordt is pas dan feit wanneer de waarneming herhaalbaar en verifieerbaar is. Conclusies die uit een waarneming getrokken worden, zijn niet zonder meer feit. Ik kan bijvoorbeeld uit de draaiing van een wiel niet concluderen hoe het in draaiende beweging gekomen is, daar meerdere verklaringen mogelijk zijn.

Een voorbeeld van een foutieve verklaring wil ik u met behulp van een overtrokken geval geven. Stel, een honderdtwintigjarige, woonachtig in een verre uithoek van Mongolië, die zonder enig massamedium als analfabeet zijn jaren heeft gesleten, komt plotseling in de beschaafde wereld, ziet een vliegtuig met supersonische snelheid voorbijschieten, hoort de door het doorbreken van de geluidsbarrière ontstane knal en ziet de glazen koepel van een gebouw instorten. “Kijk”, zou hij zeggen, “zo breken de mensen tegenwoordig hun huizen af.” Hij heeft nu eenmaal vanuit zijn kennis zijn conclusie met betrekking tot hetgeen hij heeft waargenomen getrokken.

Wanneer astronomen het licht van bepaalde sterren in een kleurenspectrum ontleden, stellen zij in het spectrum een verschuiving in het gebied van de rode kleur vast. Die verschuiving is een door herhaalde proeven bewezen feit. Hoe het tot die verschuiving komt onttrekt zich aan iedere waarneming en kan slechts worden vermoed. Men kan slechts een theorie daarover opstellen. Zijn het wetenschappers die die titel verdienen, dan zullen zij bij het afgeven van een verklaring beginnen met de woorden: "Wij nemen aan dat ...." of: "Wij zijn er van overtuigd dat ....", nooit echter met de woorden: "Wij weten dat ...."

Het meten van de tijd
Uit de roodverschuiving leiden veel hedendaagse onderzoekers een voortdurende uitdijing van het heelal als gevolg van een oerknal, een oerexplosie, af. Deze explosie van oermaterie zou het proces op gang hebben gebracht waardoor de wereld zoals wij die vandaag kennen, met alles wat in haar is, is ontstaan. Vragen wij wanneer die oerknal moet zijn ontstaan, dan wordt geantwoord in termen van miljarden jaren. Toen ik jaren geleden eindexamen deed, werd nog met een ouderdom van miljoenen jaren gerekend. Toen begon men zijn voelhorens uit te steken naar miljard jaren, drie, vier miljard, tot vandaag reeds 15 miljard jaren.

Goed twee eeuwen geleden zag het er met betrekking tot de leeftijdschatting nog anders uit. Toen telde men slechts enige duizenden jaren, niet alleen onder de theologen, maar ook onder natuurwetenschappers. Men bleef in de buurt van de leeftijdsvermeldingen in de Bijbel. Het was omstreeks het jaar 1750 dat de Fransman Buffon op 75000 jaar uitkwam. De filosoof Kant sprak evenwel reeds van miljoenen jaren. Honderd jaar later sprak de Britse geoloog Lyel met betrekking tot een aantal gesteente-afzettingen reeds van 230 miljoen jaren. Weliswaar verminderden toonaangevende natuurkundigen deze schatting tot minder dan 20 miljoen (A. Portmann, "An den Grenzen des Wissens"). Wij merken hoe weinig men van dit soort schattingen op aan kan en doen er goed aan ook ten opzichte van de hedendaagse schattingen sceptisch te blijven staan.

De ouderdom van de aarde volgens de Bijbel
Meer dan de meningen der natuuronderzoekers interesseert mij de houding der theologen met betrekking tot de ouderdom van de wereld. Tot tegen het einde van de 18e eeuw waren zij eenparig van mening dat de wereld nog geen 6000 jaar oud was. Nadat echter Buffon, Kant en anderen hun mening te kennen hadden gegeven, kwam binnen de kerk de vraag op of het scheppingsbericht en de leeftijdsvermeldingen in de Bijbel zonder meer letterlijk moesten worden genomen. Kon, ja moest men gezien de uitlatingen van natuurwetenschappers het scheppingsbericht niet herinterpreteren en vooral de scheppingsdagen verstaan in de zin van lange perioden (aeonen)? Tegenwoordig leggen de meeste theologen van naam de bijbelse ontstaansgeschiedenis in de zin van de ontwikkelingstheorie uit. Ook voor hen is de wereld gedurende enorme perioden uit oermaterie geworden tot wat zij vandaag is, inclusief de vorming van leven uit levenloze materie en de ontwikkeling van de mens uit een eencellig levend wezen via vissen, vogels, en zoogdieren.

Dat brengt ons over de regels der schriftuitlegging te spreken. Voorop wil ik nog stellen, dat ik als Gereformeerd theoloog nog steeds van de Bijbel als het onfeilbaar Woord van God uitga, zijnde van de eerste tot en met de laatste zin door de Heilige Geest aan de profeten en apostelen ingegeven.

God is de Auteur van de Bijbel
Ik aanvaard het zelfgetuigenis van de Heilige Schrift, omdat ik in haar Jezus Christus als de Godmenselijke Verlosser gevonden heb, aan Wie ik de vergeving van mijn zonden en de zekerheid van mijn eeuwig heil te danken heb.

Ik ben dus in mijn geloof overtuigd dat God de eigenlijke auteur van heel de Bijbel is. Uit zulk een geloofsovertuiging vloeit de volgende uitlegregel voort: de Heilige Schrift legt zichzelf uit. (Tussen haakjes, deze aanspraak geldt voor iedere auteur. Als ik wil weten welke gedachten een schrijver in een bepaalde zin tot uitdrukking wil brengen, dan sla ik bij dezelfde schrijver andere bladzijden van zijn boek op of sla ik andere van zijn boeken er op na.)

Ben ik er niet zeker van of ik een schriftplaats letterlijk of figuurlijk moet verstaan, dan raadpleeg ik de Bijbel zelf. Wil ik een tekst niet letterlijk, maar figuurlijk verstaan, dan moet ik het recht daartoe aan andere schriftplaatsen ontlenen.

God schiep de wereld
In overeenstemming met deze algemeen erkende regels willen wij nu de oertijd in de Bijbel onze aandacht schenken, ons daarbij echter tot enkele bijzonder belangrijke verzen beperken.

"In den beginne schiep God de hemel en de aarde" (en zevenmaal staat er dan: "God sprak"). Wat betekent echter: "God schiep de hemel en de aarde?" In Hebreeën 11:3 staat het antwoord: "Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare." Wij geloven immers in God, de Almachtige, Die scheppen kan wat Hij wil. Hoeveel twijfel aangaande het scheppingsbericht wordt door de almacht van de Schepper tot zwijgen gebracht.

"God zeide: Er zij licht; en er was licht." Boven de zo-even nog duistere vloed is het nu licht, licht zonder een of meer zonnen. Paulus spreekt hiervan in 2 Corinthe 4:6: "Want de God Die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister ..." Duisternis als bron van het licht: onvoorstelbaar! Beslist even onvoorstelbaar als het scheppen van de wereld uit niets. Voor de Almachtige evenwel geen probleem; ook geen probleem het licht aan het einde van de dag bij wijze van spreken weer te doven.

De eerste schepping'dag'
"En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag." De eerste dag bestond dus uit nacht en dag tezamen. Let wel: eerst nacht, dan dag, niet omgekeerd. Uit minstens negen verdere schriftplaatsen blijkt, dat in het Oude Testament de dag gerekend werd van het invallen van de duisternis af tot het volgende invallen van de duisternis (Exodus 12:6,18; 16:6,12; Leviticus 15:5; 23:32; 24:3; Jozua 5:10). Zelfs in het Nieuwe Testament zijn er drie teksten die daar op wijzen (Mattheus 16:2; Lucas 23:54; Johannes 19:31).

De tweede scheppingdag
"En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dit make scheiding tussen wateren en wateren.". Daarmee was de atmosfeer geschapen. Door haar scheidde God water boven haar van water onder haar. Van het water boven de atmosfeer zal later bij de beschrijving van de zondvloed weer sprake zijn.

De derde scheppingsdag
"God sprak: Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo." Laten wij ons een voorstelling trachten te vormen van wat er die derde dag geschied is. De aarde nam haar vormen aan: bergen en dalen en vlakten; beken en rivieren; meren en zeeën. Hoeveel geologische formaties vinden hier reeds, zonder de gevolgen van de zondvloed, hun verklaring! Wij doen er goed aan het advies van een theoloog te volgen die gezegd heeft: wanneer u een schriftplaats niet duidelijk is, lees haar nog eens over; denkt u haar begrepen te hebben, lees haar dan nog een keer om haar nog beter te begrijpen.

Elk volgeltje zingt…..
"En God zeide: Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruchtbomen, die naar hun aard vrucht dragen, welke zaad bevatten, op de aarde." Tweemaal staat hier: "naar zijn aard", zoals ook bij het scheppen van de waterdieren, vogels en landdieren telkens gezegd is. Christenen moeten er voor waken de evolutietheorie met haar overgaan van de ene soort naar de andere te volgen. Zij zouden anders moe- ten schrappen wat in totaal negenmaal in het scheppingbericht staat: "elk naar zijn aard". Op de derde dag was op Gods woord de gehele vegetatie aanwezig, alle planten naar hun aard, evenals op de vijfde en zesde dag de gehele dierenwereld er was, alle dieren naar hun aard. Geen soort moest eerst in een andere overgaan. Ontwikkeling is er uitsluitend binnen de afzonderlijke soorten. De Franse zooloog en bioloog Y. Delage (1854-1920), overtuigd evolutionist, verklaart: "Ik geef graag toe, dat van geen soort ooit bekend is geworden dat zij een andere heeft voortgebracht en dat er geen afdoende bewijs is dat zoiets ooit is voorgekomen." Zelfs Darwin zegt: "Wij kunnen niet bewijzen dat enige soort in een andere is overgegaan." "God sprak: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren." De oudtestamenticus Prof. G.v.Rad zegt: "Het gesternte is in generlei wijze licht scheppend, maar zonder meer slechts drager van een licht dat er zonder zijn toedoen en vóór zijn ontstaan reeds was." Als functie van het gesternte noemt het scheppingsbericht: 1) scheiding van dag en nacht, vooral door op- en ondergang van de zon; 2) het moet als teken dienen, bijv. zons- en maansverduistering; 3) het aangeven van tijden, bijv. van vollemaan tot vollemaan;  4) het aangeven van dagen en jaren, d.w.z. de tijdberekening mogelijk maken. Het is hier op zijn plaats naar de betekenis van het woord 'dág' te vragen- Nadat het eerst ter aanduiding van de lichte periode gebruikt was, vat het vervolgens nacht en dag samen: "Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag« en »toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag", enz. enz... Ik vraag u wat een onvooringenomen lezer hier anders uit concluderen kan dan een heel natuurlijke dag.

Gods almacht
Kan de Almachtige ook niet zonder zon een natuurlijke dag creëren? Men zegt namelijk: zonder zon kan het geen natuurlijke dag geweest zijn, maar een tijdbegrensde 'scheppingsdag'.

Dan is God schijnbaar toch niet zo (al)machtig dat Hij het licht ook zonder zon ontsteken en doven kan wanneer Hij wil. Dan gaat het psalmwoord dat van God zegt: "Hij sprak en het was er" niet meer op (Psalm 33:9).

Met kunst- en vliegwerk probeert men de natuurlijke dagen van het scheppingswerk te maken tot perioden van onbepaalde tijd. Bij de eerste drie heeft men de schijn nog mee, daar de zon er nog niet was. ledere dag was immers een 'periode'. Maar hoe zat het na de vierde dag, toen de zon er was? Geen nood! Toen heeft de aarde zoveel langzamer om de zon gedraaid dat ook de laatste drie dagen 'perioden' werden. Men ziet daarbij echter over het hoofd dat naar Gods wil de sterren niet alleen de: tijdberekening van dagen moesten geven, maar van dagen en jaren. Daarmee is de dag in een verhouding tot het jaar gesteld, de dag als 365e deel van het jaar. Daarmee beweer ik niet teveel, want Adams leeftijd wordt in Genesis 5 met een aantal jaren aangegeven, en ook in de oertijd telde een jaar 365 dagen. Het tijdsbegrip 'jaar' wordt na de zondvloed op gelijke wijze gehanteerd als in de oertijd. Een jaar was en is een jaar.

Willekeur
Maar juist hier bij de leeftijdsvermeldingen van de eerste mensengeslachten gaat een nieuwe willekeur van exegese (tekstverklaring, verklaring van bijbelse tekst) van start. Had men reeds van de scheppingsdagen 'perioden' gemaakt, nu maakt men van de levensjaren der eerste generaties maanden. Adam heeft nu geenszins 930 jaar geleefd, zoals de Bijbel zegt. Dat waren slechts 930 maanden, dus 77,5 jaren. Daarmee kon men het na de zondvloed bij Noach (950 jaar) en Sem (600 jaar) nog wel redden, maar bij hun nakomelingen al niet meer. Abraham zou slechts 14,5 jaar geworden zijn. Luther heeft niet voor niets er voor gewaarschuwd met de Bijbel een spelletje te spelen door hem naar believen uit te leggen.

Zouden de scheppingsdagen 'perioden' geweest zijn, dan komt men ook met de op de derde dag geschapen planten klem te zitten. Dan hadden die namelijk vóór de laatste scheppingsdag driemaal een nacht ter lengte van een halve periode moeten doorleven. Geen plant kan zo lang zonder licht in leven blijven. En kom hier niet dan met het argument van Gods almacht. Hij is niet pas dan almachtig wanneer het in onze kraam te pas komt. Als de Almachtige heeft Hij Zich van de eerste dag af bewezen.

'Dag' in het Hebreeuws
Het Hebreeuwse woord voor 'dag' in het enkelvoud wordt in heel het Oude Testament ter aanduiding van een natuurlijke dag gebruikt. Ook psalm 90:4 vormt daarop geen uitzondering ("voor U zijn duizend jaar als één dag"). Hier plaatst Gods Woord de eeuwigheid naast de tijd. Er staat trouwens niet dat duizend jaar gelijk is aan één dag, maar is als één dag. De schepping heeft echter niet in de eeuwigheid, maar in de tijd plaatsgehad. "In den beginne", d.w.z. toen de tijd een aanvang nam, "schiep God hemel en aarde". Alle Hebraïsten van naam en ook de Zwitserse theoloog Karl Barth stemmen daarin overeen, dat in het eerste hoofdstuk van de Bijbel sprake is van natuurlijke dagen. "Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren; en dat zij tot lichten zijn aan het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde." Daarmee is nog een doel van het gesternte aangegeven. Wanneer daar vervolgens staat: "en het was alzo", kan dat toch alleen maar betekenen, dat zij werkelijk op aarde schenen, van de aarde uit zichtbaar waren.

'Lichtjaren'
Gods almacht openbaarde zich niet alleen in de schepping van de ontelbare sterrenwerelden met hun nauwelijks voorstelbaar 'interne leven', maar ook in de overbrugging van de reusachtige afstanden van de aarde voor het licht. In een oogwenk waren miljoenen lichtjaren - in zulke tijdseenheden rekenen de astronomen - overbrugd. Dat gaf tevens de indruk,  wanneer we met onze telescopen 'terugkijken' in deze enorme afstanden, dat schepping reeds zeer lange tijd bestond. Over het geheel genomen wekte de schepping de indruk van een bepaalde leeftijd. De op de derde dag geschapen bomen was het niet aan te zien dat zij pas korte tijd bestonden. De dieren waren tot voortplanting potente wezens. De mens was volwassen. Uranium en lood waren er tegelijkertijd. Dat de sterren licht op de aarde moesten geven, is op zichzelf een merkwaardige zin. Iedere lichtgevende bol schijnt in alle richtingen en daarom natuurlijk ook naar een bepaald punt. Wat betekent dus het "licht geven op de aarde"? Het openbaart Gods bedoeling met de aarde. Zij is voor Hem de hoofdzaak, het middelpunt van heel de schepping. Dat blijkt reeds uit de beginwoorden van het scheppingsbericht. Nauwelijks is er gezegd: "In den beginne schiep God de hemel en de aarde", of het gaat onmiddellijk over de aarde: "De aarde nu was woest en ledig." Waarom - als ik het zo zeggen mag - die haast? Omdat God op de aarde de met verstand begiftigde mens wilde scheppen, aan wie Hij vervolgens de opdracht gaf de aarde aan zich te onderwerpen. Dat wordt ook duidelijk in het begin van het tweede hoofdstuk, waar staat: "Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer". In vers 41ezen we ook nog het merkwaardige zinnetje: "Ten tijde dat de HERE God aarde en hemel maakte...." Waarom deze omkering in volgorde? In een zakelijk bericht gaat het toch niet om taalkundige finesses! Luther heeft ons geleerd bij het lezen van de Bijbel ons steeds voor ogen te houden dat de Heilige Geest Zijn woorden weloverwogen formuleert. Het tweede hoofdstuk van de Bijbel is niet in tegenspraak met hetgeen gezegd wordt in het voorafgaande. Het heeft veeleer de bedoeling de schepping van de mens in de hem omringende wereld te beschrijven. Daarom staat er met zoveel nadruk: "...Ten tijde dat de HERE God aarde en hemel maakte." Om de mens op aarde was het God dus bij heel het scheppingswerk te doen. Het gaat bij onze Schriftuitlegging nooit om de vraag wat God allemaal gedaan zou kunnen hebben, maar uitsluitend om wat Hij volgens Zijn openbaring heeft gedaan en wat Hij er mee bedoelde. (zie het vervolg: God en de evolutie).

Auteur: Drs. E.J. van der Linde

Bron: http://www.dlinde.nl/woordenboek/schepping%20of%20evolutie.htm

Overgenomen met toestemming van Drs. van der Linde. Dit artikel valt niet onder de copyright regeling van www.debijbeliswaar.nl. Toestemming voor gehele of gedeeltelijke overname moet verkregen worden via Drs. E.J. van der Linde.

  Ga naar CREATIONISME

 
 
 
Designed: Elegant Web Templates
Copyright © www.debijbeliswaar.nl. All rights reserved.