De Bijbel is WAAR
 Stichting de Bijbel is waar
 
Titel titel
Wie heeft recht op het land van Israël? Het volk Israël of de Arabieren? Beide groepen eisen het land voor zich op, beide op grond van het feit, dat ze afstammelingen zijn van Abraham, aan wie God het met een verbondsbelofte had gegeven. In Genesis 17:8 lezen wij, dat God tegen Abraham zei: “En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn”.

Wie vormen het nageslacht van Abraham, aan wie het land werd beloofd als een altijddurende, onvervreemdbare bezitting? Dit is de basisvraag, die de kwestie van het gehele Midden-Oosten beheerst. Wij zullen ons bij het beantwoorden van deze vraag alleen bepalen bij de Bijbel.  Wij verdedigen noch veroordelen Israël of de Arabieren, maar willen u alleen wijzen op wat de Bijbel over deze zaak te zeggen heeft. Daarbij willen wij bedenken, dat de woorden van dit boek alle andere meningen overtreffen.

Het meest verwarring stichtende probleem voor de volken van de wereld van vandaag is het vraagstuk van Palestina en het Midden-Oosten. Het is geladen met al de verschrikkelijke gevaren van een alles vernietigende atoomoorlog en het vormt heden de voornaamste aangelegenheid voor de diplomaten van de wereld in hun pogingen om de wereldvrede te handhaven en een nucleaire vernietiging te voorkomen.

De strijd tussen Israël en de Arabieren is meer dan vierduizend jaar geleden begonnen als een familieruzie tussen twee broers, zonen van dezelfde vader, maar van verschillende moeders. De tegenwoordige strijd in Palestina begon vierduizend jaar geleden in de tent van vader Abraham.  Alleen door het Bijbelverhaal met betrekking tot Isaäk, de stamvader van het volk Israël en tot Ismaël, de stamvader van de Arabische volken nauwkeurig te bestuderen, kunnen wij het Bijbelse antwoord op het probleem vinden. In deze geschiedenis zullen wij de oorzaak ontdekken van de tegenwoordige strijd. Ook de oplossing ervoor zullen wij erin ontdekken.

De hele toekomst van het volk Israël was nauwkeurig voorzegd. Wat er vandaag gebeurt, wordt duidelijk in de Bijbel beschreven. Israël is het volk, maar dan ook het enige volk tussen alle andere volken uit het verleden en uit het heden, waarvan de gehele geschiedenis nauwkeurig voorzegd en beschreven werd, tot in de kleinste details, voordat het zelfs als volk bestond. De Bijbel beschrijft ons Israëls historie van begin tot eind, die een tijd omvat van naar schatting vierduizend jaar. Vierduizend jaar nadat God Abraham in het land Kanaän had gebracht, zijn een groot aantal profetieën, die op Israël betrekking hebben, vervuld. Geen enkele ervan is fout geweest; ze waren voor de volle honderd procent juist.

De zekerheid van de profetieën

Als wij dit feit als basis voor onze beschouwing nemen, dan kunnen wij er absoluut zeker van zijn dat de vele, nog niet vervulde profetieën over de toekomst van Israël, met dezelfde honderd procent zekerheid letterlijk in vervulling zullen gaan. Wij leggen hier de volle nadruk op het feit, dat alle profetieën betreffende Israël letterlijk zijn uitgekomen. Om er enige te noemen: Israëls slavernij in Egypte, de bevrijding daaruit, het verblijf in Kanaän, de daarop volgende ballingschap en verstrooiing onder alle volken der aarde eeuwen lang en toen de terugkeer naar het eigen land der beloften, na tweeëneenhalfduizend jaar omzwerving, het is allemaal letterlijk vervuld, hoewel alles werd uitgesproken lang voordat het allemaal ging gebeuren.

De eerste profetie, over land en volk

De lange lijst van profetische uitspraken over Israël begon bijna vierduizend jaar geleden, toen God tot Abraham zei:
“En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn” (Gen. 17:7, 8)

Dit was Gods EEUWIG verbond met Abraham. Wij moeten hierbij op het volgende letten:

1.     Het was een genadeverbond, een absoluut onvoorwaardelijke belofte van God aan Abraham. In dit verbond was de waarde van Abraham als gelovige, zijn verdienste, werken en gedrag van geen enkele invloed. Het was de directe, alles omvattende genade van God.

2.     Dit verbond spreekt van Abrahams natuurlijke nageslacht. Abraham was nog steeds kinderloos, maar God zei: “Ik geef deze belofte aan Uw ZAAD”. Op de juiste tijd kwam de vervulling hiervan, toen Isaäk werd geboren, daarna Jakob, wiens nieuwe naam Israël werd en die de vader van het volk Israël werd. Dit volk is in letterlijke zin daarom de erfgenaam van Gods belofte. Deze belofte omvatte ook het letterlijke land Kanaän. Zo letterlijk was dit, dat God nauwkeurig de grenzen van het beloofde land aangaf. Zie Genesis 15:18. Het was een uitgestrekt gebied: Vanaf de “rivier van Egypte”, honderden kilometers verder naar het oosten tot aan de rivier de Eufraat toe (Volgens sommigen, is “de rivier van Egypte” de Nijl, en dan behoort ook het schiereiland Sinaï tot het beloofde grondgebied van Israël).

3.     In het westen werd dit gebied begrensd door de Middellandse zee. Het tegenwoordige land Israël is slechts een zeer klein deel van het totale land, dat aan het nageslacht van Abraham werd beloofd. Bij Kanaän horen het schiereiland Sinaï, het Midden-Oosten, Edom, Trans Jordanië, de Negev, Syrië en in het algemeen de streken, die door Arabieren worden bewoond. Dit hele gebied gaf God aan Abrahams nageslacht met een oppervlakte van meer dan 750.000 vierkante kilometer.

4.     Let vooral op de tijdsduur, die aan de belofte werd toegevoegd. Behalve dat het een onvoorwaardelijke belofte was, gegeven aan het letterlijke nageslacht van Abraham, waarbij het ging over het letterlijke land Kanaän, was het een ONVERBREKELIJK verbond. De geldigheidsduur van dit verbond was: VOOR ALTIJD. Eenvoudig gezegd: het is voor Abrahams nageslacht, een ALTIJD DURENDE BEZITTING.

Omdat Abraham verscheidene zonen had, komt de vraag op: Op welke zoon ging de verbondsbelofte over? Dat deze vraag en het antwoord erop van grote betekenis zijn, zal duidelijk worden als wij U eraan herinneren, dat beide volken, Joden zowel als Arabieren, in letterlijke zin nakomelingen van Abraham zijn. Daarom moeten wij uitzoeken, welke zoon God bedoelde, toen Hij Zijn belofte voor wat Kanaän betrof aan Abraham deed. Als wij iets willen begrijpen van het conflict tussen Israëliërs en Arabieren in onze tijd, dan zullen we allereerst deze kwestie moeten oplossen.

Ismaël en Isaäk

Ismaël was de oudste zoon in het gezin van Abraham. Volgens de toen heersende gewoonte was hij daarom Abrahams erfgenaam. Op voorstel van Sara was Ismaël door Abraham bij een EGYPTISCHE slavin verwekt. Deze Ismaël is de onmiddellijke voorvader van de tegenwoordige Arabieren. Hij was Abrahams eerstgeborene. Vanzelfsprekend was hij de erfgenaam. Zo beschouwde Abraham het zelf ook, want toen de Heer hem vertelde, dat ook Sara een zoon zou krijgen, maakte hij ernstig bezwaar en riep uit: “Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!” (Gen. 17:18).

Op Ismaël, de stamvader van de Arabische volken, viel de keuze van Abraham. Hij bleek echter niet Gods keuze te zijn en daarom zei de Heer tot Abraham:“En God zeide: Voorwaar, Sara, uw vrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond voor zijn zaad na hem. En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; MAAR MIJN VERBOND ZAL IK MET IZAK OPRICHTEN, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal” (Gen. 17:19-21).

Ismaël verworpen

Deze uitspraak is duidelijk en kan niet worden misverstaan. God zegt duidelijk, dat Ismaël geen recht heeft op het land der belofte. Het behoort toe aan Isaäk, de zoon van het verbond. Dertien jaar lang was Ismaël Abrahams enige zoon. Gedurende al die tijd, toen Ismaël het enige kind was in Abrahams tent, waren er geen moeilijkheden, maar nadat Isaäk was geboren begon de “oorlog”. Toen Isaäk groter werd kwam de strijd tot een hoogtepunt. Wij lezen in Genesis 21: “En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische [d.w.z. Ismaël] , die zij Abraham gebaard had, spottende [met Isaäk]. En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, NIET ERVEN” (Genesis 21:9, 10).

Tot een crisis gekomen

De zaak was tot een hoogtepunt gekomen. Sara vroeg de wegzending van Ismaël uit Abrahams tent.  Wij mogen Sara’s eis erg vinden en op haar strengheid kritiek uitoefenen, maar zij hield zich aan Gods verbondsbelofte en eiste de verbanning van Ismaël. Nog eens weer aarzelt Abraham en hij zoekt naar een compromis, waarbij de twee jongens, Ismaël en Isaäk beiden in zijn tent kunnen blijven. De reactie van Abraham lezen wij in Genesis 21:11: “En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon [Ismaël]”.

Wanhopig zocht Abraham naar een oplossing van zijn probleem. Welke oplossing hij in gedachten had, wordt ons niet verteld. Mogelijk hoopte hij op een “vredig samenwonen”. Misschien overwoog hij om de tent tussen Isaäk en Ismaël te verdelen om openlijke ruzies te voorkomen. Maar de verdeling van de beloofde erfenis was geen oplossing. Dat zou alleen tot resultaat  hebben, dat er voortdurend “grensconflicten” zouden zijn, die op de duur zouden leiden tot een oorlog op grote schaal: Daarom gaf God Abraham de opdracht om naar Sara te luisteren.

Een pijnlijke les

“Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden” (Gen. 21:12).
Met tegenzin gehoorzaamde Abraham de Heer. Pas nadat Isaäk in het volledig bezit van de bezitting was gesteld, keerde de vrede in de tent terug.

Ismaël werd weggezonden en door God in de woestijn gevonden, terwijl hij van dorst dreigde te sterven. Maar God wees zijn moeder Hagar een waterbron. Daarna volgt een profetische uitspraak over Ismaël en zijn nakomelingen: “En God was met de jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland” (Gen. 21:20, 21).

Ismaël werd een woestijnbewoner. De nakomelingen van Ismaël, de Arabieren, zijn sedertdien altijd woestijnbewoners geweest, nomaden, die na duizenden jaren nog in dezelfde wildernis leven, waarheen Ismaël en zijn moeder vluchtten, sinds zij uit Abrahams tent werden verbannen. Dit alles was geprofeteerd in Genesis 16: “En hij zal een woudezel [van een] mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broeders” (Gen. 16:12).

Dit alles is het begin van de strijd tussen Israël en de Arabische volken. Isaäk had later twee zonen, Ezau en Jakob en weer trok de vader de oudste voor. Dat was Ezau, de stamvader van de Edomieten. Opnieuw kwam God tussenbeide en verkoos Jakob aan wie het beloofde land tot een eeuwige bezitting zou worden gegeven. Later werd de naam Jakob veranderd in Israël. Zijn nakomelingen zijn het zaad van Abraham, de Israëlieten, zoals wij hen nu en uit de geschiedenis kennen. De Arabieren zijn de nakomelingen van Ismaël.

Een profetisch beeld

De tent van Abraham is een beeld van het beloofde land Kanaän. Vader Abraham kan in zekere zin vergeleken worden met de Verenigde Naties en Sara met de gemeente. Na vierduizend jaar herhaalde zich de geschiedenis van Abrahams tent voor ons aller oog. Eeuwenlang hebben de Arabieren, het zaad van Ismaël, het land Kanaän in bezit gehad. Maar in 1948 werd de staat Israël geboren en “Isaäk” trok het land binnen. En de strijd in Abrahams tent ontbrandde opnieuw. De Verenigde Naties, net als Abraham, stelden een compromis voor en verdeelden het land tussen de nakomelingen van Isaäk en die van Ismaël. Ze hoopten op een vreedzaam samen wonen. Het mocht niet zo zijn. Wij geloven, dat het de taak van de Gemeente, getypeerd door Sara, is erop aan te dringen dat uitsluitend aan Israël het recht op bezit van het beloofde land toekomt. Volgens de Schrift is dit de enige oplossing. God zegt: “Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, NIET ERVEN” (Gen. 21:10).

Een praktische toepassing

Dit is dan de profetische uitspraak, die voor onze ogen wordt vervuld. Het grootste internationale wonder uit de hele geschiedenis is de terugkeer van Israël naar het beloofde land, nadat ze vijfentwintig eeuwen onder de volken der aarde verstrooid waren. Het is de aanzet tot de vervulling van Gods woorden, ons opgetekend in Ezechiël 36. “Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn” (Ezech. 36:24-28).

Deze profetie zien wij in deze tijd naar zijn vervulling toe gaan. Er moet echter nog één ding gebeuren, voordat alle profetieën betreffende Israël vervuld kunnen worden. Die ene gebeurtenis is de terugkeer van de Heer Jezus vanuit de hemel en de opname der Gemeente. Wat schijnt dat ogenblik, gezien in het licht van alles wat er de laatste jaren is gebeurd en wat met versneld tempo in de komende tijd zal gebeuren, toch dichtbij. De spanning tussen de zoon van Isaäk, Israël en de zonen van Ismaël groeit in het Midden-Oosten met de dag. Spoedig zullen wij de bazuinstoten van de hemel horen en iedere gelovige zal worden opgenomen, de Heer tegemoet, voordat “de tijd van Jakobs benauwdheid” aanvangt.

Gezien de hedendaagse gebeurtenissen in het licht der profetie is dit de meest dringende vraag:
 BENT U KLAAR OM DE HEER TE ONTMOETEN?  BENT U ECHT KLAAR?
“Zie, Ik kom haastig; zalig is hij, die de woorden van de profetie van dit boek bewaart” (Openb.22:7).

Auteur: Dr. M.R. De Haan
Alle Schriftaanhalingen komen uit de Statenvertaling 1971
Met toestemming overgenomen van Marc Verhoeven. Deze tekst valt onder copyright van Marc Verhoeven en derhalve zijn
de copyright regels van stichting DBIW niet van toepassing.
Bewerkingen door Willem Boonstra

Van deze studie is gratis een uitgebreide emailversie aan te vragen, Stuur aan mail met de titel van de studie (te weten: Wie heeft recht op Israël), en wij zullen per ommegaande een email retour zenden met de betreffende studie. Stuur een email naar: info@debijbeliswaar.nl

  Ga naar EINDTIJDSTUDIE

 
 
 
Designed: Elegant Web Templates
Copyright © www.debijbeliswaar.nl. All rights reserved.