Vergelijking en Contrast tussen Israël en de Kerk
|
Israël
|
De Kerk
|
|
|
De Kerk is een uitgeroepen vergadering
van gelovigen die gedoopt werden tot het lichaam van Christus (1Ko 12:13).
Elk lid van het lichaam is gered, alhoewel er menigten belijdende christenen
zullen zijn die niet gered zijn (2Tm 2:19). |
|
Het ontstaan van Israël is terug te
voeren tot Abraham, Izaäk en Jakob (Jakob is de vader van de twaalf
stammen). |
De Kerk is terug te voeren tot de dag
van Pinksteren (Hd 2) toen voor het eerst gelovigen in het lichaam van
Christus gesteld werden. |
|
In Gods programma voor Israël omvatten
Zijn getuigen één natie (Js 43:10). |
In Gods programma voor de Kerk omvatten
Zijn getuigen alle naties (Hd 1:8). |
|
Gods programma voor Israël was
gecentreerd in Jeruzalem (Mt 23:37) en zal zich opnieuw centreren in
Jeruzalem tijdens de Verdrukking (Mt 24:15-20) en tijdens het Millennium (Js
2:1-5). |
Gods programma voor Zijn Kerk begon
in Jeruzalem en breidde zich uit tot de hele aarde (Lk 24:47; Hd 1:8). De
Kerk is geïdentificeerd met de opgestane Christus, niet met een aardse stad. |
|
De hoop en verwachting van Israël was
aards, gecentreerd in de oprichting van het Koninkrijk van de Messias, zoals
voorzegd door de profeten
(Jr 23:5-8; Js 2:1-5; 11:1-16). |
De hoop en verwachting van de Kerk is
hemels, gecentreerd in de heerlijke verschijning van Christus om Zijn volk
in de hemel op te nemen (Jh 14:1-3; Fp 3:20-21; Ko 3:1-4; 1Th 4:13-18). |
|
Gods doel en programma voor Israël is
onthuld in de oudtestamentische geschriften. |
Gods doel en programma voor de Kerk is
niet
onthuld in het Oude Testament, maar
middels de nieuwtestamentische apostelen en profeten
(Ef 3:5). |
|
In Israëls geschiedenis, in de focus
van Dn 9:24 (70 jaarweken of 490 jaren), waren er dierlijke offers. Dit
tijdperk omvat de komende verdrukkingstijd (70ste jaarweek). In
het Millennium zijn er eveneens dierlijke offers (Ez 43:27). |
In de geschiedenis van de Kerk zijn er
geen dierlijke offers. Het offer van de Messias wordt herdacht door de tafel
van de Heer. |
|
In Israëls geschiedenis, in de focus
van Dn 9:24 (490 jaren, de Verdrukking inbegrepen), is er een tempel in
Jeruzalem. En ook zo in het Millennium (Ez hoofdstukken 40-48). |
Tijdens de kerkbedeling is er na 70 nC.
geen tempel meer in Jeruzalem. In dit tijdperk manifesteert God Zijn
heerlijkheid in Zijn gelovigen, zowel individueel als collectief, en vormt
hen als Zijn tempel (1 Ko 3:16; 6:19-20; Ef 2:21-22). Dit wordt volbracht
door de inwonende bediening van de Heilige Geest. |
|
Israëls geschiedenis, in de focus van
Dn 9:24 (490 jaren) omvat een priesterschap, beperkt tot de zonen van Aäron,
en sloot de meeste Israëlieten daarvan uit. Hetzelfde zo in het Millennium (Ez
40:46; 43:19; 44:15). |
Tijdens de kerkbedeling is elke ware
gelovige een priester en in staat geestelijke offers te brengen voor de Heer
(Hb 13:15; 1Pt 2:9; Op 1:6). Israël had een priesterschap, de Kerk
is een priesterschap. |
|
Israëls geschiedenis, in de focus van
Dn 9:24 zal eindigen met de komst van de Messias op aarde om Zijn
koninkrijksregering in te stellen. |
De geschiedenis van de Kerk zal
eindigen bij de Opname van de Kerk, wanneer de volheid van de naties is
ingegaan (1Th 4:13-18; Rm 11:25). |
|
Tijdens Israëls geschiedenis (de 490
jaren van Dn 9:24, Verdrukking inbegrepen) is de etnische opmaak van de
wereld tweeledig: Joden en Heidenen. Deze opdeling zal ook voorkomen in het
Millennium, in natuurlijke lichamen. |
Tijdens de kerkbedeling, van Pinksteren
tot de Opname, is de etnische opmaak van de wereld drieledig: Joden,
heidenen en de Kerk (1Ko 10:32). De Kerk bestaat hier uit geredde Joden en
Heidenen in één Lichaam (Ef 2:15; 3:6). |
|
Tijdens Israëls geschiedenis, van de
Sinaï tot het Millennium (exclusief de kerkbedeling), wordt Israëls rol in
de wereld gekarakteriseerd door VOORRANG (d.w.z. zij hebben een leidende rol
als Gods uitverkoren volk) - zie Dt 4:6-8; Js 43:10; Mt 10:5-6; Zc 8:23. |
Tijdens de kerkbedeling, wordt Israëls
rol in de wereld gekarakteriseerd door GELIJKHEID - Jood en Heiden samen in
één verenigd lichaam om getuigenis te geven van een opgestane Christus (Ko
3:11; Gl 3:28). |
|
Mannelijke Joden werden besneden als
een teken van het Abrahamitisch Verbond. Gelovige Joden waren ook besneden
in het hart (Jr 4:4). |
Gelovigen in dit tijdperk genieten
interne besnijdenis, geen werk door mensenhanden (Ko 2:11; Fp 3:3). Geen
fysieke besnijdenis meer nodig. |
|
Israël onder de Wet van Mozes als
levensregel. |
De Kerk staat
onder de regel van de “nieuwe schepping” (Gl 6:15-16).
Zie
HIER
verder. |
|
Joden zijn fysieke kinderen van
Abraham. De ongelovigen van hen zijn geestelijke kinderen van de duivel (Jh
8:37-44). |
Elke gelovige in Christus (oorspr. Jood
of Heiden) is een geestelijk kind van Abraham en van God (Rm 4:11-12; Gl
3:26-29). Dit betekent niet dat de gelovigen van de Kerk, Israëlieten
zijn. |
|
Israël moest de Sabbatdag houden (Ex
20:8). De Sabbat zal ook gehouden worden in de Verdrukking (Mt 24:20) en het
Millennium (Ez 46:1-3). |
De Kerk moet ijverig zijn en alles doen
om in Gods rust te staan (Hb 4:9-11). Dit is een dagelijkse taak. |
|
Lidmaatschap tot de Joodse natie was
door geboorte, of door proseliet te worden (bekeerling tot het Judaïsme). |
Lidmaatschap tot de Kerk is door
bekering en nieuwe geboorte, afgesloten door de doop (1Ko 12:13). |
|
Gelovige Joden, vóór Pinksteren, en
gelovige Joden tijdens de Verdrukking, en gelovige Joden tijdens het
Millennium zijn geen leden van het Lichaam van Christus. |
Gelovigen uit de Joden en Heidenen,
sinds Pinksteren tot aan de Opname, zijn leden van het Lichaam van Christus. |
|
Israëls plaats van aanbidding was
gecentreerd in Jeruzalem (Dn 6:10; Jh 4:20) en dat zal ook zo zijn in de
Verdrukking (Dn 9:27) en in het Millennium (Js 2:1-5). |
De plaats van aanbidding voor de Kerk
is “waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam” (Mt 18:20; Jh 4:21-24).
Christus is temidden van de kerken (Op 1:13, 20). |
|
Israël wordt vergeleken met de Vrouw
van Jahweh; dikwijls een ontrouwe vrouw (Hosea). |
De Kerk is de
geliefde Bruid van Christus (2Ko 11:2; Op 19:7-8) om op een dag
voor Zich te plaatsen, zonder smet of rimpel,
maar heilig en onberispelijk
(Ef 5:27). |